ECLI:NL:CRVB:2010:BL1865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van premieberekening vrijwillige AOW- en ANW-verzekering ondanks bezwaar appellant
Appellant, voormalig werknemer in Nederland en sinds 1974 woonachtig in Marokko, was toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van de AOW en ANW vanaf 15 juni 1991 tot en met 2006. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde de verschuldigde premie vast op het wettelijk minimum: 5% tot 1 januari 2001 en 10% vanaf die datum.
Appellant betwistte deze premieberekening en stelde dat hij tot 2000 verplicht verzekerd was geweest, en verzocht om een lagere premie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Raad dat de Svb de premies correct had vastgesteld conform de dwingendrechtelijke bepalingen van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en ANW.
De Raad oordeelde dat de door appellant overgelegde jaaropgaven geen bewijs bevatten van ingehouden premies volksverzekeringen en dat de Svb bereid was eventuele aantoonbare inhoudingen in mindering te brengen. De stellingen over de hoogte van de WAO-uitkering waren irrelevant voor de premievaststelling. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de premie voor de vrijwillige AOW- en ANW-verzekering terecht op het wettelijk minimum is vastgesteld.