ECLI:NL:CRVB:2010:BL1629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, maar het College van burgemeester en wethouders van Hengelo trok deze uitkering in omdat zij verzwegen had dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met betrokkene, de vader van twee van haar kinderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de intrekking ongegrond, waarna het College ook bij latere besluiten de bijstand introk en de gemaakte kosten terugvorderde. De rechtbank vernietigde echter het besluit voor de periode van 6 februari 2001 tot 1 juli 2001 en beval een nieuw besluit op bezwaar.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het aanhouden van verschillende woonadressen niet uitsluit dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, mits het hoofdverblijf feitelijk in dezelfde woning is. Uit onderzoek en getuigenverklaringen bleek dat betrokkene het merendeel van de tijd in de woning van appellante verbleef en dat sprake was van samenwoning.
De Raad bevestigde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden door dit te verzwijgen en dat het College terecht de bijstand introk en terugvorderde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht.