ECLI:NL:CRVB:2010:BL0391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering teveel betaalde toeslag zonder dringende reden af te zien
Appellant ontving toeslag op grond van de Toeslagenwet, maar het UWV stelde bij besluit van 13 augustus 2007 vast dat appellant vanaf 30 maart 2007 geen recht meer had op toeslag vanwege een inkomen boven het minimumloon. Vervolgens vorderde het UWV op 19 september 2007 het teveel betaalde bedrag van €5.193,84 terug. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd bij besluit van 18 januari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de terugvordering ongegrond en stelde vast dat het terugvorderingsbesluit rechtens onaantastbaar was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de terugvordering onaanvaardbaar was vanwege een bijzondere situatie en onduidelijkheid over toepasselijke regels, mede omdat het UWV het bezwaar tegen de verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering pas op 20 juli 2007 gegrond verklaarde. Appellant stelde dat het UWV daarom van terugvordering had moeten afzien. Ook wees appellant op zijn schuldsanering die door de terugvordering werd beïnvloed.
De Raad overwoog dat het besluit tot herziening van de toeslag rechtens vaststaat en dat het bedrag van de terugvordering niet in geschil is. De vraag was of er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. Volgens vaste jurisprudentie zijn dringende redenen slechts aanwezig bij bijzondere, incidentele gevallen met onaanvaardbare gevolgen voor de verzekerde. De Raad vond geen aanknopingspunten voor dergelijke dringende redenen, ook niet vanwege het gewijzigde inzicht van de wetgever of de gevolgen voor de schuldsanering. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het teveel betaalde toeslagbedrag wordt bevestigd.