ECLI:NL:CRVB:2010:BL0054

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4179 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ziekengeld na herstelverklaring verzekeringsartsen

Appellante, voormalig schoonmaakster, meldde zich in 2003 ziek met diverse klachten en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering. Na medische onderzoeken werd zij per 2 juli 2007 hersteld verklaard voor geselecteerde functies en verloor zij haar recht op ziekengeld. Het Uwv verklaarde het bezwaar tegen deze beslissing ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en vond dat de verzekeringsartsen de ernst van de klachten niet hadden onderschat.

In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld. De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld volgens vaste jurisprudentie betrekking heeft op de laatstelijk verrichte arbeid, met uitzondering van gevallen waarin gangbare arbeid als maatstaf geldt. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank, mede omdat recente medische informatie van de huisarts en cardiologische revalidatie geen beperkingen meer aantoonde.

De Raad concludeerde dat appellante per 2 juli 2007 in staat was tot de geselecteerde functies en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 2 juli 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld wegens herstelverklaring.

Uitspraak

08/4179 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2008, kenmerk 07/4095 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 20 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. E.C. Spierings, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, voorheen werkzaam als schoonmaakster, heeft zich vanuit een situatie van werkloosheid op 26 augustus 2003 ziek gemeld met heupklachten, pijn in het linker been, bronchitis/astma en rugklachten. Per einde wachttijd 24 augustus 2004 is aan appellante geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Zij ontving aansluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Appellante werd destijds ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van haar beperkingen onder meer de functies van productiemedewerker industrie, productiemedewerker textiel (geen kleding), machinaal metaalbewerker en assistent consultatiebureau te vervullen waardoor zij niet arbeidsongeschikt geacht werd in de zin van de WAO.
1.2. Op 19 mei 2006 heeft appellante zich ziek gemeld met hartklachten. Na medisch onderzoek op 11 juli 2006, 24 januari 2007, 29 maart 2007 en 27 juni 2007 heeft de verzekeringsarts appellante per 2 juli 2007 hersteld verklaard voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 27 juni 2007 beslist dat appellante met ingang van 2 juli 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in diens rapportages van 28 augustus 2007 en 11 oktober 2007 - bij besluit van 16 oktober 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de verzekeringsartsen de klachten van appellante niet hebben miskend. Naar het oordeel van de rechtbank was niet gebleken dat de verzekeringsartsen de ernst van haar klachten hebben onderschat door te concluderen dat zij in staat was haar werk te hervatten. De rechtbank was dan ook van oordeel dat het Uwv appellante terecht met ingang van 2 juli 2007 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid, zodat appellante per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld.
3. In haar hoger beroep stelt appellante zich op het standpunt dat haar beperkingen tot het verrichten van arbeid niet juist zijn vastgesteld. Zij verwijst verder naar hetgeen zij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
4.3. In dit geval geldt als “zijn arbeid” ten minste één van de hiervoor in het kader van de WAO-beoordeling per 24 augustus 2004 genoemde functies.
4.4. De Raad ziet in hetgeen door appellante is aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. De Raad verenigt zich met de door de rechtbank gegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne. De Raad acht daarbij met name van belang dat de bezwaarverzekeringsarts nog recente informatie van de huisarts heeft opgevraagd en ontvangen. Uit de daarbij gevoegde informatie van de Rotterdamse Stichting voor Cardiologische revalidatie van 9 mei 2007 valt af te leiden dat appellante de hartrevalidatie op 7 mei 2007 heeft beëindigd, dat deze goed is doorlopen en dat appellante geen beperkingen meer heeft en buiten alleen nog wat angstig is. De Raad onderschrijft in dezen het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 11 oktober 2007. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de conclusie van de verzekeringsartsen dat zij per 2 juli 2007 in staat geacht moet worden vorenbedoelde arbeid te verrichten.
4.5. Hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch, van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is het openbaar uitgesproken op 20 januari 2010.
(get.) Ch. Van Voorst
(get.) M.A. van Amerongen
EF