ECLI:NL:CRVB:2010:BL0054
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld na herstelverklaring verzekeringsartsen
Appellante, voormalig schoonmaakster, meldde zich in 2003 ziek met diverse klachten en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering. Na medische onderzoeken werd zij per 2 juli 2007 hersteld verklaard voor geselecteerde functies en verloor zij haar recht op ziekengeld. Het Uwv verklaarde het bezwaar tegen deze beslissing ongegrond. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en vond dat de verzekeringsartsen de ernst van de klachten niet hadden onderschat.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld. De Raad overwoog dat het recht op ziekengeld volgens vaste jurisprudentie betrekking heeft op de laatstelijk verrichte arbeid, met uitzondering van gevallen waarin gangbare arbeid als maatstaf geldt. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank, mede omdat recente medische informatie van de huisarts en cardiologische revalidatie geen beperkingen meer aantoonde.
De Raad concludeerde dat appellante per 2 juli 2007 in staat was tot de geselecteerde functies en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 2 juli 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld wegens herstelverklaring.