ECLI:NL:CRVB:2009:BL0685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging berekening loongerelateerde WW-uitkering op basis van WAO-vervolgdagloon
Appellante, voormalig office-manager, ontving een WAO-uitkering die per 30 maart 2008 werd verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. Naar aanleiding van haar aanvraag voor een WW-uitkering werd deze toegekend op basis van het WAO-vervolgdagloon, berekend volgens artikel 13, zesde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat deze afwijking binnen de wettelijke kaders valt.
In hoger beroep betoogde appellante dat het WW-dagloon onterecht gebaseerd was op het WAO-vervolgdagloon en daarmee in strijd was met artikel 45, eerste lid, van de WW. De Raad overwoog dat de wetgever met de invoering van Walvis en de delegatiebepalingen in artikel 45 van Pro de WW ruimte heeft gelaten voor afwijkende regels binnen het uitgangspunt van het historisch dagloon.
De Raad bevestigde dat artikel 13, zesde lid, van het Besluit een afwijkende maar niet strijdige regel is die voorkomt dat het WW-dagloon hoger wordt dan het welvaartsniveau bij het intreden van het verzekerde risico. De aansluiting bij het WAO-vervolgdagloon waarborgt voldoende inkomensbescherming. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de berekening van de WW-uitkering op basis van het WAO-vervolgdagloon bevestigd.