ECLI:NL:CRVB:2009:BK9635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-uitkering wegens ontbreken van verzekerings- en ingezetenschapstatus
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een AOW-uitkering op grond van vermeende werkjaren in Nederland tussen 1966 en 1969. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant nooit verzekerd was voor de AOW. Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank waarbij het besluit werd vernietigd wegens procedurele tekortkomingen, verrichtte de Svb aanvullend onderzoek dat geen bewijs opleverde van verzekerings- of ingezetenschapstatus.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had verstrekt over zijn verblijf en werk in Nederland en dat de Svb aan haar onderzoeksplicht had voldaan. Op grond hiervan werd het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, waarbij werd benadrukt dat appellant geen duurzame sociale, economische of juridische binding met Nederland kon aantonen.
De Raad stelde vast dat appellant niet bekend was in Nederlandse bevolkingsregisters, geen fiscale band met Nederland had, noch de Nederlandse nationaliteit bezat. Hierdoor kon geen ingezetenschap worden aangenomen en was er geen recht op een AOW-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een AOW-uitkering wegens het ontbreken van verzekerings- en ingezetenschapstatus.