AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing AOW-uitkering wegens ontbreken van verzekerings- en ingezetenschapstatus
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een AOW-uitkering op grond van vermeende werkjaren in Nederland tussen 1966 en 1969. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant nooit verzekerd was voor de AOW. Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank waarbij het besluit werd vernietigd wegens procedurele tekortkomingen, verrichtte de Svb aanvullend onderzoek dat geen bewijs opleverde van verzekerings- of ingezetenschapstatus.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had verstrekt over zijn verblijf en werk in Nederland en dat de Svb aan haar onderzoeksplicht had voldaan. Op grond hiervan werd het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel, waarbij werd benadrukt dat appellant geen duurzame sociale, economische of juridische binding met Nederland kon aantonen.
De Raad stelde vast dat appellant niet bekend was in Nederlandse bevolkingsregisters, geen fiscale band met Nederland had, noch de Nederlandse nationaliteit bezat. Hierdoor kon geen ingezetenschap worden aangenomen en was er geen recht op een AOW-uitkering. Het hoger beroep werd verworpen en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een AOW-uitkering wegens het ontbreken van verzekerings- en ingezetenschapstatus.
Uitspraak
08/2906 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te Marokko (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2008, 07/1865 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 31 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellant is - met bericht van verhindering - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij brief gedateerd 4 januari 2002 heeft appellant een pensioen aangevraagd ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft hij aangegeven in 1935 te zijn geboren, de Marokkaanse nationaliteit te hebben en in Marokko te wonen. Volgens appellant heeft hij van 1966 tot en met 1969 in Nederland pensioenrechten opgebouwd. Appellant heeft vervolgens een aanvraagformulier ingediend waarbij hij heeft aangegeven in Nederland de naam [naam M.H.] te hebben gevoerd en van 1966 tot 1969 in [plaatsnaam] te hebben gewoond. Appellant zou in die periode als produktiemedewerker te hebben gewerkt bij textielfabriek [naam werkgever] te [plaatsnamen] Verder heeft appellant aangegeven dat hij nooit in Marokko heeft gewerkt. In een latere verklaring heeft appellant aangegeven te hebben gewerkt onder de naam [naam H.M.] respectievelijk [naam C.H.], met als geboortejaar 1934. De Svb heeft onderzoek gedaan naar de onderscheiden namen in het archiefregister van de gemeente [plaatsnaam] en de Stichting [naam stichting], waarbij als geboortejaar is opgegeven 1935. Dit onderzoek heeft niets opgeleverd. Appellant was onbekend.
1.2. Bij besluit van 5 november 2004 is de aanvraag om een uitkering ingevolge de AOW afgewezen op de grond dat appellant nooit voor de AOW verzekerd is geweest.
2.1. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2. Bij besluit van 13 juli 2005 is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.3. Bij uitspraak van 17 januari 2007, 05/4196, heeft de rechtbank overwogen dat appellant wisselende aanduidingen heeft gegeven ten aanzien van zijn naam, geboortejaar en naam en vestigingsplaats van het bedrijf waar hij gewerkt zou hebben. De Svb heeft bij haar onderzoek geen onderscheid gemaakt naar voor- en achternaam, niet gezocht op de naam Houcine Moh Mohamed, het geboortejaar 1934 en de fabrieksnaam [naam werkgever]. Het bezwaar is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft de Svb nader onderzoek verricht bij de gemeente [plaatsnaam], de Stichting Bedrijfsfonds Mode, Interieur, Tapijt & textiel en, voor wat betreft het bedrijf waar appellant zou hebben gewerkt, het internet. Deze onderzoeken hebben wederom niets opgeleverd.
3.2. Bij besluit van 17 april 2007 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
4.1. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen, waar appellant wordt aangeduid als eiser en de Svb als verweerder:
“10. De rechtbank overweegt dat verzekerd op grond van de AOW onder meer is diegene de ingezetene van Nederland is. Ingezetene is degene die in Nederland woont, terwijl de vraag waar iemand woont naar de omstandigheden wordt beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat voor zover eiser in Nederland woonachtig is geweest - hetgeen op grond van de door eiser verstrekte informatie niet valt uit te sluiten - hij toch niet als ingezetene kan worden beschouwd. Volgens de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is er immers sprake van wonen in Nederland, indien er een band van duurzame aard bestaat tussen Nederland en betrokkene. Voor die vaststelling is in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment dat het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2003, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AN8565).
De rechtbank stelt vast dat eiser niet bekend is in een van de Nederlandse bevolkingsregisters noch bij het pensioenfonds. Ook is niet gebleken dat eiser in fiscaal opzicht en band met Nederland had. Voorts is gesteld noch gebleken dat eiser de Nederlandse nationaliteit heeft of heeft gehad dan wel anderszins een juridisch relevante relatie met Nederland had. Aldus kan geen binding met Nederland worden vastgesteld. Derhalve kan men geen ingezetenschap als bedoeld in artikel 6, eerste lid aanhef en onder a, van de AOW worden aangenomen.
11. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser zelf geen concrete, verifieerbare gegevens heeft verstrekt waaruit zou kunnen blijken dat hij in de jaren 1966 tot 1969 in Nederland heeft gewerkt. Eiser is al niet zeker van de naam van de werkgever en heeft ook geen adres(sen) opgegeven waar hij in de periode zou hebben gewerkt. Het vervolgens door verweerder op basis van die summiere gegevens verrichte onderzoek heeft geen concreet resultaat opgeleverd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan zijn onderzoeksplicht voldaan. Gezien het vorenstaande kan de rechtbank op basis van de voorhanden gegevens tot geen andere conclusie komen dan dat ook op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW, geen verzekerd tijdvak kan worden aangenomen.
12. Nu aan de voorwaarden van artikel 6 vanPro de AOW niet is voldaan, heeft eiser geen recht op een AOW-pensioen.”
5.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij een uitkering ingevolge de AOW wil hebben en dat hij alle namen en adressen van zijn werkgever aan de Svb heeft opgegeven.
5.2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.3. Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of de Svb terecht heeft beslist dat appellant geen recht heeft op een uitkering ingevolge de AOW.
5.4. Ook naar het oordeel van de Raad dient deze vraag in bevestigende zin te worden beantwoord. De Raad kan zich te dien aanzien geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
6. Naar het oordeel van de Raad bestaat er geen grond bestaat om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.