AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing bijzondere bijstand voor slaapkamer wegens ontbreken noodzakelijkheid
Appellanten verzochten bijzondere bijstand voor de kosten van de inrichting van een slaapkamer. Het College van burgemeester en wethouders van Gouda wees de aanvraag af omdat de noodzakelijkheid van de kosten niet was aangetoond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellanten ten tijde van de aanvraag reeds beschikten over de slaapkamer waarvoor de bijstand was bedoeld. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat sprake was van noodzakelijke kosten in de zin van de Wet werk en bijstand (WWB). De Raad verwierp het verweer dat het gebruikelijk zou zijn eerst zelf in de kosten te voorzien alvorens bijstand te vragen, evenals het standpunt dat zij geen slaapkamer hadden, omdat dit niet aannemelijk was gemaakt.
Verder oordeelde de Raad dat er geen dringende redenen waren zoals bedoeld in artikel 16 vanPro de WWB die toekenning van bijstand zouden rechtvaardigen. De Raad bevestigde daarom het oordeel van het College en de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor de slaapkamer wordt afgewezen wegens het ontbreken van noodzakelijke kosten en dringende redenen.
Uitspraak
08/6768 WWB
08/6769 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 november 2008, 07/8254 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2009. Appellanten hebben zich later vertegenwoordigen door mr. R. Moghni, werkzaam op het kantoor van mr. Karkache. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Dalsum, werkzaam bij de gemeente Gouda.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 17 januari 2007 heeft het College de aanvraag van appellanten om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ter voorziening in de kosten van (de inrichting van) een slaapkamer ter hoogte van € 620,-- afgewezen.
1.2. Bij besluit van 29 juni 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2007 ongegrond verklaard op de grond dat de noodzaak van de kosten waarvoor de bijstand werd gevraagd door appellanten niet is aangetoond. Voorts heeft het College overwogen dat er geen sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 vanPro de WWB op grond waarvan de bijstand alsnog toegekend zou kunnen worden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 juni 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2. Vaststaat dat appellanten ten tijde van de aanvraag op 15 december 2006 beschikten over de slaapkamer waarvoor de bijzondere bijstand bedoeld was. De Raad is met het College van oordeel dat hierdoor niet meer vastgesteld kan worden of er sprake is van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De niet nader onderbouwde stelling van appellanten dat het gebruikelijk zou zijn om eerst in de kosten te voorzien alvorens bijzondere bijstand te vragen, wordt door de Raad niet gevolgd. Ook het standpunt van appellanten dat de aanschaf noodzakelijk was omdat zij niet over een slaapkamer beschikten, wordt door de Raad niet gevolgd, omdat zij dit op geen enkele wijze aannemelijk hebben gemaakt. Het College heeft de aanvraag van appellanten dan ook terecht afgewezen.
4.3. Voor zover het College heeft overwogen dat er geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB op grond waarvan de bijstand alsnog toegekend zou kunnen worden, overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 juni 2009, LJN BI9294, dat appellanten aan deze bepaling geen aanspraak op bijzondere bijstand kunnen ontlenen.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.