Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8727

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6558 REA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.T. Berkel-Kikkert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet REAArt. 31 Wet REAArt. 4:6 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8 Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing bruikleenauto wegens onvoldoende motivering

Appellante, een arbeidsgehandicapte werknemer die rolstoelafhankelijk is, heeft meerdere malen een aanvraag gedaan voor een bruikleenauto bij UWV, welke steeds is afgewezen met het argument dat vervoer per regiotaxi een goedkopere en adequate voorziening is. De rechtbank vernietigde eerder een besluit van UWV wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelt appellante dat de bruikleenauto de goedkoopste adequate voorziening is en beroept zich tevens op het gelijkheidsbeginsel.

De Raad overweegt dat de rechtbank de omvang van het geding niet juist heeft vastgesteld door niet te erkennen dat het hier gaat om een herhaalde aanvraag die inhoudelijk is behandeld. Hierdoor heeft de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar vernietigd zonder zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die herziening rechtvaardigen.

De Raad stelt vast dat de nieuwe feiten die appellante aanvoert, zoals een brief van een revalidatiearts en de tariefverhoging van de regiotaxi, geen aanleiding geven tot herziening omdat de kosten van de bruikleenauto nog steeds hoger zijn. Het feit dat een collega wel een bruikleenauto heeft gekregen, leidt niet tot gelijke gevallen omdat de vervoersbehoefte verschilt. Wel is het besluit op bezwaar van 15 februari 2007 onvoldoende gemotiveerd, zodat dit besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en het griffierecht wordt aan appellante vergoed.

Uitkomst: Het besluit van UWV om de aanvraag voor een bruikleenauto af te wijzen wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

08/6558 REA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 oktober 2008, 07/535 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 24 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.P.W.A. Bink, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2009. Appellante is – met voorafgaand bericht - niet verschenen. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zij is rolstoelafhankelijk en is aangemerkt als een arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2 van Pro de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA). Appellante werkt sinds 17 december 2001 bij Connexxion te IJsselmuiden, laatstelijk als teamleidster callcenter.
1.2. Op 23 augustus 2003 heeft appellante bij Uwv een aanvraag ingediend om verstrekking van een bruikleenauto op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet REA. Bij besluit van 18 maart 2004 heeft Uwv die aanvraag afgewezen op de grond dat het reizen per regiotaxi een goedkopere voorziening is dan een bruikleenauto. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 juli 2004 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3. Op 15 juli 2004 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag om verstrekking van een bruikleenauto ingediend. Bij besluit van 23 november 2004 heeft Uwv die aanvraag afgewezen op de grond dat er geen relevante wijzigingen zijn ten opzichte van het besluit van 18 maart 2004. Het tegen het besluit van 23 november 2004 gemaakte bezwaar heeft Uwv bij besluit van 8 juli 2005 ongegrond verklaard.
1.4. De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het tegen het besluit van 8 juli 2005 ingestelde beroep bij uitspraak van 25 oktober 2006 - met overwegingen over proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe heeft zij overwogen, dat Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het tegen deze uitspraak door Uwv ingestelde hoger beroep is voor de behandeling ter zitting ingetrokken.
1.5. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 november 2004 opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat openbaar vervoer (lees: de regiotaxi) de goedkoopste adequate vervoersvoorziening voor appellante is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is afgewezen, omdat de vervoersbehoefte van degene waarmee appellante zich vergelijkt (hierna: collega) groter is dan die van appellante, waardoor in het geval van haar collega een bruikleenauto de goedkoopste adequate voorziening is.
2.1. In beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij wegens ziekte en gebreken voor haar werk in onvoldoende mate gebruik kan maken van openbaar vervoer of andere algemeen gebruikelijke middelen, waardoor zij is aangewezen op vervoer per auto.
2.2. Ter zitting van de rechtbank heeft Uwv zich op het nadere standpunt gesteld dat bij de collega van appellante de bruikleenauto de goedkoopste adequate voorziening is, omdat het alternatief voor de collega vervoer per rolstoeltaxi is en zij in tegenstelling tot appellante geen gebruik kan maken van de regiotaxi. De vervoersbehoefte van appellante en haar collega is, in tegenstelling tot hetgeen in het besluit van 15 februari 2007 is vermeld, ongeveer gelijk.
2.3. De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het onderzoek heropend en Uwv een aantal vragen voorgelegd.
2.4. Namens appellante is een brief van J. Gerritsen, revalidatiearts bij Isala Klinieken te Zwolle, van 3 september 2007 overgelegd, waarin deze schrijft dat verlamming, houdingsafwijking en het regelmatig verliezen van faeces als gevolg van een dwarslaesie argumenten zijn om individueel vervoer te indiceren in de vorm van een bruikleenauto.
2.5. Namens Uwv is een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige G. Huisman van 5 augustus 2008 overgelegd, waarin deze heeft berekend dat de totale kosten van de regiotaxi per 15 februari 2007 voor appellante neerkomen op € 3.392,-- en de totale kosten van een bruikleenauto op € 4.129,40. Hierbij is uitgegaan van een enkele ritprijs van € 4,95, 240 werkdagen en 3.500 kilometer leefvervoer.
2.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 15 februari 2007 - met overwegingen omtrent proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, aangezien appellante in tegenstelling tot haar collega niet is aangewezen op rolstoeltaxivervoer. Aangezien deze motivering pas na het besluit op bezwaar door Uwv is gegeven, heeft de rechtbank dit besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de berekening van 5 augustus 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige, waaruit blijkt dat in het geval van appellante een bruikleenauto duurder is dan de aan appellante toegekende voorziening. Ten slotte is voldoende komen vast te staan dat appellante in staat is met de haar toegekende vervoersvoorziening in haar vervoersbehoefte te voorzien. De rechtbank heeft daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van de goedkoopste adequate voorziening en doet daarnaast een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. Ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, van de Wet REA kan Uwv aan de arbeidsgehandicapte die arbeid in dienstbetrekking verricht, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. Onder deze voorzieningen worden - voor zover voor dit geding van belang - uitsluitend verstaan vervoersvoorzieningen die ertoe strekken dat de arbeidsgehandicapte werknemer zijn werkplek kan bereiken (de werkvervoervoorziening). Ingevolge artikel 31, derde lid, van de Wet REA kan Uwv aan de persoon, bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet REA, op aanvraag vervoersvoorzieningen toekennen die strekken tot verbetering van zijn leefomstandigheden (de leefvervoervoorziening) en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met de werkvervoervoorziening. Ingevolge het vijfde lid van artikel 31 van Pro de Wet REA worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot dit artikel nadere regels gesteld.
4.1.2. In artikel 2, derde lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA is geregeld dat bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen bij de beoordeling en berekening van kosten en de verstrekking van een voorziening wordt uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening. Ingevolge artikel 8, derde lid, van het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA worden onder vervoersvoorzieningen in ieder geval verstaan een bruikleenauto, een taxikostenvergoeding en een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen auto of van een bruikleenauto.
4.2.1. De Raad overweegt, ambtshalve, het volgende.
4.2.2. De bestuursrechter in eerste aanleg dient allereerst, ambtshalve, te beoordelen of hij bevoegd is van het bij hem ingestelde beroep kennis te nemen en, zo ja, of dit beroep ontvankelijk is. Is dat het geval, dan dient hij vervolgens de rechtmatigheid van het in beroep bestreden besluit te toetsen. Voorafgaand aan en met het oog op deze beoordeling en toetsing dient de bestuursrechter in eerste aanleg de omvang van het geding vast te stellen. Daarbij dient hij onder meer acht te slaan op de rechtspraak van de bestuursrechtelijke appelcolleges over de omvang van de toetsing in geval van een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een eerder, in rechte onaantastbaar geworden, besluit. De appelrechter beoordeelt ambtshalve of in de aangevallen uitspraak de omvang van het geding juist is vastgesteld.
4.2.3. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.2.4. In het voorliggende geval heeft de rechtbank niet onderkend dat sprake is van een herhaalde aanvraag (die door Uwv - niettemin - inhoudelijk is behandeld en waarbij de oorspronkelijke besluitvorming uiteindelijk in volle omvang is heroverwogen). Als gevolg daarvan is de rechtbank ten onrechte niet uitgegaan van de oorspronkelijke afwijzing en heeft zij zich eveneens ten onrechte niet beperkt tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en, zo ja, of Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
4.2.5. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
4.3.1. De Raad overweegt vervolgens, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het volgende.
4.3.2. Ter ondersteuning van haar herhaalde aanvraag heeft appellante het bezwaarschrift dat zij tegen het besluit van 18 maart 2004 heeft ingediend, bijgevoegd. Reeds het feit dat het daarbij gaat om feiten of omstandigheden die zij in de procedure tegen het besluit van 18 maart 2004 heeft aangevoerd, maakt dat deze niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.3.3. Aan de na het besluit op bezwaar van 15 februari 2007 bekend geworden brief van J. Gerritsen gaat de Raad voorbij, omdat Uwv die brief niet bij zijn besluit heeft kunnen betrekken.
4.3.4. Voorts heeft appellante gewezen op het feit dat de tarieven van de regiotaxi sterk zijn verhoogd, waardoor voor haar de kosten van het woon-werkverkeer bijna zijn verdubbeld. Dit is weliswaar een nieuw feit, maar daarin heeft Uwv geen aanleiding behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Uit de door Uwv gemaakte berekeningen blijkt immers, dat ook dan de kosten van een (kleine) bruikleenauto hoger zijn dan de kosten van gebruik van de regiotaxi.
4.3.5. Gelet op de uitspraak van de rechtbank van 25 oktober 2006, die kracht van gewijsde heeft gekregen, houdt de Raad het ervoor dat het feit dat Uwv aan de collega een bruikleenauto heeft toegekend, moet worden aangemerkt als een nieuw feit. Dit dwong Uwv echter evenmin tot een ander besluit, omdat - naar blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 11 september 2007 - bij het onderzoek naar de goedkoopste adequate voorziening voor de collega door Uwv is betrokken dat voor deze collega vervoer per regiotaxi niet adequaat is. Gelet op de besluiten van 18 maart 2004 en 2 juli 2004 moet er in dit geding vanuit worden gegaan, dat de regiotaxi voor appellante wel een geschikte wijze van vervoer is. Er is dan ook geen sprake van gelijke gevallen.
4.3.6. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat Uwv verzuimd heeft in het besluit op bezwaar van 15 februari 2007 een deugdelijke motivering te geven voor de afwijzing van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, zodat de Raad dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb zal vernietigen en op grond van hetgeen is overwogen onder 4.3.5 de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand zal laten.
4.4. Het voorgaande komt er op neer, dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, omdat de rechtbank de omvang van het geding niet juist heeft vastgesteld. Het in geding zijnde besluit van Uwv wordt vernietigd, omdat de afwijzing van de herhaalde aanvraag om een bruikleenauto onvoldoende gemotiveerd is. Omdat een na dat besluit door Uwv gegeven motivering wel deugdelijk is, laat de Raad (de rechtsgevolgen van) de afwijzing van de bruikleenauto evenwel in stand. Daarom wordt ook geen schadevergoeding toegekend. Omdat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd, moet Uwv het griffierecht dat appellante aan de Raad heeft betaald, vergoeden. Nu de aangevallen uitspraak ambtshalve is vernietigd en appellante inhoudelijk geen gelijk krijgt, is voor een procesveroordeling geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens het bepaalde omtrent proceskosten en griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit op bezwaar van 15 februari 2007;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Bepaalt dat Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt, te betalen aan de griffier van de Raad;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2009.
(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.
(get.) J. Waasdorp.
NK