AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische herbeoordeling met schouderklachten
Appellant, voormalig schoonmaker, kreeg een WAO-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordeling in 2004 werd zijn arbeidsongeschiktheid gesteld op minder dan 15%, en werd hij geschikt geacht voor diverse functies. In 2006 meldde appellant zich ziek vanwege nek- en schouderklachten, waarna het UWV besloot dat hij ondanks beperkingen zijn arbeid kon hervatten.
Appellant maakte bezwaar met medische rapporten van een neuroloog, maar de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de medische beoordeling zorgvuldig was en dat appellant geschikt bleef voor de functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat de medische informatie onvoldoende aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsartsen. De beperkingen, waaronder schouderklachten, zijn verantwoord in kaart gebracht. Een nieuwe arbeidskundige beoordeling is niet vereist. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt wordt geacht voor de geselecteerde functies ondanks zijn beperkingen.
Uitspraak
08/1353 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 januari 2008, 07/1020 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als schoonmaker voor gemiddeld 38,50 uur per week. Vanwege gewrichtsklachten en depressieve klachten is hij voor dat werk in september 1998 uitgevallen. Per einde wachttijd is appellant ongeschikt geacht voor zijn functie van schoonmaker en is hem een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 26 april 2004 gesteld op minder dan 15%. Met inachtneming van zijn medische beperkingen wordt appellant geschikt geacht om de functies van sorteerder, controleur (sbc-code 111340), medewerker tuinbouw (sbc-code 111010) en productiemedewerker (sbc-code 111180) te kunnen verrichten.
1.2. Na eerdere ziekmeldingen heeft appellant zich op 18 december 2006 wederom ziek gemeld in verband met nek- en schouderklachten. Nadat hij door de verzekeringsarts is onderzocht, is appellant bij besluit van 18 januari 2007 meegedeeld dat hij ondanks een toename van beperkingen ten opzichte van het oude niveau van functioneren in staat geacht wordt om met ingang van 22 januari 2007 zijn arbeid te verrichten. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt waarbij hij nadere inlichtingen heeft ingebracht van de behandelende neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts heeft de bevindingen van de primaire verzekeringsarts alsmede de inlichtingen van de behandelende neuroloog (her)beoordeeld en geconcludeerd dat de geneeskundige beoordeling zorgvuldig tot stand is gekomen en appellant geacht moet worden het merendeel van de hem destijds voorgehouden functies te kunnen verrichten. Bij besluit van 3 april 2007 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard (hierna: bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en dat appellant geschikt is voor de functie van productiemedewerker waarmee voldaan is aan het vereiste dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies waarvoor hij in het kader van de WAO-beoordeling geschikt werd geacht.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt wanneer de verzekerde blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, onder “zijn arbeid” verstaan gangbare arbeid zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de WAO in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
3.2. De Raad ziet in de beschikbare medische informatie omtrent de gezondheidstoestand van appellant onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsartsen.
3.2.1. Appellant is op 18 januari 2007 door de primaire verzekeringsarts onderzocht. Op grond van de rechterschouderklachten met uitstraling en tintelingen in de vingers werden enige afwijkingen vastgesteld waardoor appellant beperkt werd geacht voor frequent of langdurig bovenhands werken, met name wat de rechterarm betreft, alsmede voor zwaar of veelvuldig tillen en veelvuldig wringen. De verzekeringsarts achtte appellant met deze beperkingen in staat tot het verrichten van de productiefuncties zoals geduid bij de WAO-beoordeling.
3.2.2. Blijkens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 maart 2007 heeft deze arts kennis genomen van de in het dossier aanwezige medische gegevens waaronder informatie van de behandelende sector. Uit de gegevens van de neuroloog blijkt dat deze een nekhernia niet geheel kan uitsluiten; de klachten kan hij evenwel slechts ten dele daaruit verklaren. Appellant is naar de orthopeed verwezen. Niet is gebleken dat die verwijzing tot (aanpassing van de) therapie heeft geleid. De bezwaarverzekeringsarts heeft daaruit de conclusie getrokken dat geen sprake is van een dermate ernstige hernia dat appellant daardoor niet in staat zou zijn tot het verrichten van arbeid. Volgens de bezwaarverzekeringsarts leidt de hernia niet tot beperkingen en zijn de destijds geduide functies onveranderd geschikt.
3.2.3. Naar aanleiding van de in hoger beroep ingebrachte informatie van de behandelende sector heeft de bezwaarverzekeringsarts op 27 augustus 2008 een nader rapport uitgebracht. Uit de bevindingen van de orthopeed van 23 januari 2007 blijkt – aldus de bezwaarverzekeringsarts – dat echografie van de rechterschouder van appellant enig oedeem liet zien over de supraspinatus en in de bursa zonder enige afwijkingen. In de brief van de neurochirurg van 4 april 2007 wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat EMG-onderzoek geen aanwijzingen gaf voor een radiculairsyndroom C5 of C6 rechts. Vanwege de atypische klachten van appellant bij anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek adviseerde de neurochirurg een expectatief beleid. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde op grond van die gegevens dat appellant nog steeds in staat geacht moet worden om de destijds geduide functies te verrichten.
3.3. Appellant heeft vervolgens het standpunt ingenomen dat vanwege zijn toegenomen beperkingen niet kon worden volstaan met de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zoals deze gold ten tijde van zijn WAO-beoordeling. Volgens appellant had een nieuwe FML moeten worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld had moeten worden of de voorbeeldfuncties nog passend geacht kunnen worden. Gelet op het feit dat de intrekking van de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 april 2004 in rechte vaststaat, dient in dit geding te worden uitgegaan van de juistheid van de in dat kader vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals door de verzekeringsarts is aangegeven in de FML van 29 oktober 2003 alsmede van de geschiktheid destijds van appellant voor de in dat kader geselecteerde functies. De beperkingen van appellant zijn – gelet op hetgeen is overwogen onder 3.2.2 en 3.2.3 – op de datum in geding op verantwoorde wijze in kaart gebracht, waarbij met name ook aandacht is besteed aan de schouderklachten rechts. De Raad heeft verder in bestendige jurisprudentie overwogen dat een arbeidskundige beoordeling als door appellant bepleit in het kader van een ZW-geding, als hier aan de orde, niet is vereist. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om hier thans anders over te oordelen.
4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.