ECLI:NL:CRVB:2009:BK8333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.A.H. Schifferstein
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning loongerelateerde WGA-uitkering ondanks eerdere arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een loongerelateerde WGA-uitkering aangevraagd met als aanvangsdatum van arbeidsongeschiktheid 11 juli 2005. Het UWV kende haar deze uitkering toe na onderzoek. Appellante stelde dat zij al vóór het starten van haar eigen bedrijf op 1 juni 2004 arbeidsongeschikt was, onder meer vanwege een ongeval in 1987 en psychische klachten.
De rechtbank en de Raad hebben dit betoog onderzocht aan de hand van medische verklaringen van een psychiater en huisarts, een arbeidskundig rapport en de beoordeling van een bezwaarverzekeringsarts. De Raad concludeerde dat er onvoldoende bewijs is dat appellante vóór 11 juli 2005 arbeidsongeschikt was in de zin van de WIA.
De Raad benadrukte dat eerdere ongeschiktheid in het kader van de Ziektewet en het functioneren in eerdere dienstbetrekkingen niet automatisch leidt tot een eerdere arbeidsongeschiktheidsdatum voor de WIA-uitkering. De verklaring van de psychiater dat appellante bij aanvang van haar functie als directeur-grootaandeelhouder niet kon werken, werd onvoldoende onderbouwd geacht.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Utrecht. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante aanvangt op 11 juli 2005 en wijst eerdere stellingen over arbeidsongeschiktheid vóór die datum af.