ECLI:NL:CRVB:2009:BK8260

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6404 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging herzieningsbesluit WAO-uitkering wegens late arbeidskundige toelichting

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 65-80% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat de arbeidskundige toelichting pas na het besluit was verstrekt, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de medische en arbeidskundige grondslag voldoende was.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over meer beperkingen en onzorgvuldig onderzoek. De Raad oordeelde dat er geen nieuwe gegevens waren die het medisch oordeel konden betwijfelen en dat het onderzoek adequaat was. Ook de arbeidskundige beoordeling was voldoende onderbouwd, en er was geen aanleiding tot inschakeling van een deskundige.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het besluit vernietigd moest worden vanwege de late arbeidskundige toelichting, maar bevestigde dat de rechtsgevolgen gehandhaafd konden blijven. De aangevallen uitspraak werd voor zover aangevochten bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De vernietiging van het herzieningsbesluit wordt bevestigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

08/6404 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 september 2007, 08/714 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van een rapport van 23 april 2009 van F.L. van Duijn, bezwaarverzekeringsarts.
Voormelde gemachtigde heeft op 6 november 2009 nog een nader bericht naar de Raad gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Appellant en bovengenoemde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.G. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het Uwv appellant, die laatstelijk een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving naar de klasse 80-100%, bericht dat zijn uitkering per 24 juli 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Daaraan ligt onder meer een onderzoek door een verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag, die bij zijn oordeelsvorming rekening heeft gehouden met een in een eerdere rechtbankprocedure uitgebracht rapport van 23 augustus 2005 van W. Dominicus, psychiater – in welke procedure het beroep van appellant tegen een herziening van diens WAO-uitkering naar een percentage van 25–35% gegrond is verklaard –. Deze deskundige heeft onder andere gesteld dat appellant nog niet in staat is fulltime te werken. De verzekeringsarts heeft de bij appellant bestaande beperkingen bij het verrichten van arbeid – waaronder een urenbeperking van
4 uur per dag dan wel 20 uur per week – vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden lijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft een aantal voor appellant geschikte functies geselecteerd waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat herziening van de uitkering naar een percentage van 65-80 aan de orde is.
1.2. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2007. In het kader daarvan is op 24 december 2007 rapport uitgebracht door de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn voornoemd. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 16 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer gesteld dat hij in verband met zijn psychische klachten en zijn schouderklachten meer beperkt is, dat hij in feite niet tot arbeid in staat is en dat bij het opstellen van de FML ten onrechte buiten beschouwing is gelaten dat hij linkshandig is.
3. De rechtbank heeft allereerst geconstateerd dat het Uwv de FML in beroep ingrijpend heeft herzien – onder meer in verband met de opmerking van appellant over zijn linkshandigheid – en dat bijgevolg een nieuw arbeidskundig rapport is uitgebracht. In verband daarmee moet het bestreden besluit als in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd en dient het beroep gegrond te worden verklaard. Er bestaat echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven kan worden: ten aanzien van de schouderfunctie is voldoende rekening gehouden met de informatie van de behandelend fysiotherapeut en de huisarts van appellant. Met betrekking tot de psychische klachten zijn, met name door middel van de eerder genoemde urenbeperking, ruim voldoende beperkingen in de FML opgenomen. Ook in arbeidskundig opzicht is het bestreden besluit, nadat in beroep een nadere toelichting terzake is gegeven, voldoende deugdelijk. De stelling van appellant dat in enkele functies zijn belastbaarheid op het punt van reiken en tillen zou worden overschreden, heeft de rechtbank verworpen.
4. Namens appellant is in hoger beroep herhaald dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ook heeft hij erop gewezen, dat er door de verzekeringsarts slechts een globaal lichamelijk onderzoek is uitgevoerd, hetgeen hij onzorgvuldig acht en tevens heeft hij herhaald, dat met betrekking tot de aspecten reiken en tillen in sommige functies te hoge eisen worden gesteld.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. Met betrekking tot het medisch aspect van de schatting zijn in hoger beroep geen nieuwe gegevens in het geding gebracht die twijfel kunnen wekken aan het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen of de stelling kunnen ondersteunen dat meer of andere beperkingen in de FML opgenomen hadden moeten worden. Het rapport van de psychiater Artist dateert uit september 2004 en daaraan kan niet die waarde worden gehecht welke appellant eraan toegekend wil zien. Ook acht de Raad het onderzoek niet onzorgvuldig: de verzekeringsarts heeft blijkens diens rapport van 13 maart 2007 (wel degelijk) een, gelet op de geuite klachten, adequaat lichamelijk onderzoek verricht en voor een nieuw lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts bestond, gelet op de inhoud van het op 18 juni 2007 ingediende bezwaarschrift, geen aanleiding. Ook overigens kan de Raad hetgeen de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft overwogen onderschrijven. Voor een nader onderzoek door een door de Raad in te schakelen deskundige bestaat dan ook geen c.q. onvoldoende aanleiding.
5.3. Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting merkt de Raad met betrekking tot het item reiken – op welk item appellant overigens niet beperkt is geacht, behoudens links licht beperkt bij frequent reiken – op, dat weliswaar in twee van de drie geduide functies sprake is van reiken tot circa 60 cm., maar dat op geen enkele wijze blijkt, de aantekening in de FML dat appellant (links) tot 50-60 cm. kan reiken in zou houden dat een incidentele overschrijding van enkele centimeters de belastbaarheid van appellant te boven zou gaan. Van de zijde van appellant is dat ook niet met medische gegevens onderbouwd. Ook met betrekking tot het item tillen is zo blijkt uit het arbeidskundig rapport van 20 augustus 2008 geen sprake van te hoge of onhaalbare fysieke eisen. Ook overigens acht de Raad de geschiktheid van de aan appellant voorgehouden functies in laatstgenoemd rapport alsmede in het arbeidskundig rapport van 16 mei 2007 voldoende toegelicht.
5.4. De rechtbank heeft met recht uit het gegeven dat een afdoende arbeidskundige toelichting eerst na het totstandkomen van het bestreden besluit is verstrekt, de conclusie getrokken dat dit besluit moet worden vernietigd, maar dat er voldoende reden is om de rechtsgevolgen ervan in stand te laten.
5.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) F. Heringa.
JL