ECLI:NL:CRVB:2009:BK8241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5445 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging recht op ziekengeld wegens ontbreken medische beperkingen

Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, meldde zich op 2 augustus 2006 ziek met diverse lichamelijke klachten. Na meerdere onderzoeken door verzekeringsartsen en medische specialisten werd vastgesteld dat er geen objectiveerbare beperkingen waren die het verrichten van zijn arbeid onmogelijk maakten. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde op 7 januari 2008 dat appellant in staat was tot arbeid.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ongegrond, waarbij zij de medische rapportages en het arbeidskundig onderzoek als onderbouwing gebruikte. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep zich aangesloten bij dit oordeel en stelde dat de aanvullende medische informatie geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander oordeel konden leiden.

De Raad benadrukte dat de diagnose cervicobrachialgie reeds bekend was en dat neurologisch onderzoek, inclusief MRI-scans, geen afwijkingen toonde. Op grond hiervan werd het besluit van 11 september 2007, waarmee het ziekengeld werd beëindigd, bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellant is met ingang van 12 september 2007 terecht beëindigd.

Uitspraak

08/5445 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 augustus 2008, 08/641 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Voor appellant is verschenen mr. Spek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, voorheen werkzaam als tuinbouwmedewerker voor 38 uur per week, heeft zich op 2 augustus 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met diverse lichamelijke klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts
S.C. Kromokarijo. Tijdens het laatste spreekuur van 11 september 2007 heeft de verzekeringsarts hem per 12 september 2007 hersteld verklaard voor zijn werk als tuinbouwmedewerker. Bij besluit van 11 september 2007 is aan appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 12 september 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.2. Het tegen het besluit van 11 september 2007 gerichte bezwaar van appellant is, na een heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts F.M. Brouwer, bij besluit van 11 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – kort weergegeven – overwogen dat beide verzekeringsartsen appellant hebben onderzocht, waarbij geen objectiveerbare beperkingen zijn geconstateerd. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts Brouwer bij zijn beoordeling informatie van de behandelend neuroloog betrokken, waaruit blijkt dat geen sprake is van neurologische afwijkingen, zodat deze informatie derhalve geen aanknopingspunten oplevert voor de klachten van appellant. In de rapportage van 7 januari 2008 komt Brouwer tot de conclusie dat er geen medische beperkingen zijn aan te nemen en dat appellant derhalve in staat moet worden geacht zijn arbeid te kunnen verrichten. De bevindingen uit het arbeidskundig onderzoek, zoals weergegeven in de rapportage van 25 maart 2008, zijn voorgelegd aan de bezwaarverzekeringsarts Brouwer die hierin geen medische reden aanwezig heeft geacht om af te wijken van zijn conclusie zoals weergegeven in zijn eerder genoemde rapportage. Nu de bevindingen van het arbeidskundig onderzoek overeenkomen met de door appellant ingevulde werkomschrijving ziet de rechtbank geen aanleiding dit oordeel voor onjuist te houden.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW worden verstaan de laatstelijk voor ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
3.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ten aanzien van de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts met de daarbij gevoegde informatie van de revalidatiearts en de neuroloog, is de Raad van oordeel dat deze niet tot een ander oordeel kan leiden nu deze informatie geen nieuwe nog niet eerder onderkende medische gegevens bevat. Daarbij tekent de Raad aan dat de door de revalidatiearts gestelde diagnose cervicobrachialgie, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 7 januari 2008 bezien in samenhang met de informatie van de neuroloog J.W.A. Swen van 22 augustus 2007, al bij bezwaarverzekeringsarts Brouwer bekend was. Tevens acht de Raad van belang dat de bevindingen van de neuroloog H.Th.J. Niekus, zoals neergelegd in zijn brief van 7 oktober 2008, de onderzoeksbevindingen van neuroloog Swen bevestigen dat er bij neurologisch onderzoek – waarbij ook een MRI-scan is gemaakt – geen afwijkingen zijn gevonden.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv het ziekengeld van appellant op juiste gronden met ingang van 12 september 2007 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.C.A. Wit.
IvR