ECLI:NL:CRVB:2009:BK8231

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3967 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek terug te komen op besluit niet toekennen WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante verzocht het UWV terug te komen op het besluit van 21 november 2003 waarin haar een WAO-uitkering werd geweigerd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Dit verzoek werd afgewezen omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die dit rechtvaardigen.

Appellante had later een Wajong-uitkering toegekend gekregen met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en stelde dat de diagnose schizofrenie, die toen was gesteld, al eerder aanwezig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht niet was teruggekomen op het eerdere besluit, mede gelet op het rapport van de psychiater Van Ittersum.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het besluit van 21 november 2003 rechtens onaantastbaar is geworden. De toekenning van een latere Wajong-uitkering is onvoldoende om terug te komen op het eerdere besluit. Er zijn geen medische stukken die bevestigen dat de beperkingen uit 2006 ook al in 2003 golden. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om niet terug te komen op het weigeren van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

08/3967 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juni 2008, 07/4269
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2009. Namens appellante heeft bovengenoemde gemachtigde het woord gevoerd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, geboren op [in] 1982, is na een auto-ongeval op 15 oktober 2002 uitgevallen met schouder- en nekklachten alsmede met klachten van psychische aard. Bij besluit van 21 november 2003 heeft het Uwv geweigerd haar na afloop van de wettelijke wachttijd per 13 oktober 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante moest worden gesteld op minder dan 15%. Aan dit besluit ligt verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag waarbij is vastgesteld dat er bij appellante beperkingen van onder andere psychische aard bestaan - welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
3 november 2003 -, maar dat zij met deze beperkingen nog wel geschikt is te achten tot het verrichten van gangbare arbeid. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 21 november 2003 gemaakte bezwaar is appellante op verzoek van het Uwv onderzocht door E.F. van Ittersum, psychiater, die in zijn rapport van 26 april 2004 onder meer stelt dat er geen tekenen zijn van een invaliderende persoonlijkheidsstoornis. Mede op grond van genoemd rapport heeft het Uwv bij besluit van 8 juli 2004 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.
2. Appellante heeft op 23 augustus 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag is zij gezien door M.M.A. de Valk, arts, die de bij haar bestaande beperkingen bij het verrichten van arbeid heeft vastgelegd in een FML van 26 september 2006. Bij besluit van 27 november 2006 is aan appellante door het Uwv per 28 augustus 2005 een uitkering ingevolge de Wajong toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3. Namens appellante is het Uwv bij schrijven van 6 februari 2007 verzocht terug te komen van het besluit van 21 november 2003 met betrekking tot het niet toekennen van een WAO-uitkering. Bij besluit van 22 februari 2007 is dit verzoek door het Uwv afgewezen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die het terugkomen van voormeld besluit rechtvaardigen. In verband met het namens appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft J.H.M. de Brouwer, bezwaarverzekeringsarts, op 8 mei 2007 rapport uitgebracht. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar bij besluit van 16 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is er met name op gewezen dat haar een Wajong-uitkering naar een volledige arbeidsongeschiktheid is toegekend en dat (in het kader daarvan) de diagnose schizofrenie is gesteld. De voortekenen van deze naderhand gestelde diagnose waren, volgens appellante, al veel eerder aanwezig.
4.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv, gelet op met name het voormelde rapport van psychiater Van Ittersum, noch in de toekenning van een Wajong-uitkering noch in de genoemde diagnose aanleiding behoefde te zien om terug te komen van het besluit van 21 november 2003. De motivering opgenomen in het rapport van 8 mei 2007 van de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer acht de rechtbank afdoende. Tevens heeft de rechtbank gewezen op de rechtspraak van de Raad (genoemd is de uitspraak van 24 augustus 2007, LJN BB2732) waaruit blijkt dat het stellen van een bepaalde diagnose op zich niet doorslaggevend is.
5. Namens appellante is in hoger beroep het eerder gestelde herhaald.
6.1. De Raad oordeelt als volgt.
6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit waarbij het toekennen van WAO-uitkering per 13 oktober 2003 is geweigerd rechtens onaantastbaar is geworden. In een zodanig geval is de betrokkene bij een herhaalde aanvraag ingevolge artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden nieuwe feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
6.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv met recht aangenomen dat van dergelijke feiten of omstandigheden geen sprake is, althans dat er geen reden is om van het rechtens onaantastbaar geworden besluit terug te komen. De enkele toekenning van een uitkering ingevolge de Wajong met ingang van een datum ruim na die waarop het besluit van 21 november 2003 betrekking heeft, is daartoe onvoldoende. Daarbij wijst de Raad erop, dat ook laatstbedoeld besluit erop gebaseerd is dat er bij appellante (in 2003) beperkingen bestonden van psychische aard (maar dat zij daarmee wel aangepast werk kon verrichten) en dat het inschatten van de ernst van deze beperkingen tot het terrein van de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts in kwestie behoort en dus in tijd kan verschillen. Er zijn, met name gelet op het rapport van Van Ittersum voornoemd, geen aanknopingspunten voor de stelling dat al de in de FML van 2006 opgenomen beperkingen ook al in 2003 golden. Voor wat betreft het door appellante gedane beroep op de diagnose schizofrenie moet worden opgemerkt, dat de verzekeringsarts De Valk in zijn rapport van 26 september 2006 (kennelijk naar aanleiding van een mededeling terzake van appellante) slechts vermeldt dat appellante voor schizofrenie onder behandeling is. Van een door deze arts - op grond van eigen onderzoek - zelf vastgestelde diagnose is geen sprake. Ook zijn van de zijde van appellante geen (medische) stukken in het geding gebracht die deze diagnose bevestigen.
6.4. Hetgeen onder 6.1 tot en met 6.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 december 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) F. Heringa.
IvR