ECLI:NL:CRVB:2009:BK7242

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3035 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffersArt. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffersArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek weduwe-uitkering op grond van Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad om haar aanvraag voor een periodieke uitkering als weduwe af te wijzen. De overledene, betrokkene, was erkend als burger-oorlogsslachtoffer vanwege psychische invaliditeit, maar was ten tijde van zijn overlijden niet in het genot van een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

De Raad overwoog dat betrokkene zijn werkzaamheden in 1987 niet had beëindigd vanwege oorlogsletsel en dat het overlijden niet toe te schrijven was aan oorlogsletsel. Dit oordeel werd ondersteund door medische adviezen van geneeskundig adviseurs. Hierdoor voldeed appellante niet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering zoals genoemd in artikel 7 van Pro de Wet.

Appellante stelde ter zitting dat destijds onvoldoende rekening was gehouden met de psychische toestand van betrokkene, maar dit leidde niet tot een ander oordeel. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door A. Beuker-Tilstra op 10 december 2009.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een periodieke uitkering als weduwe wordt afgewezen.

Uitspraak

09/3035 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 10 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 april 2009, kenmerk BZ 8772, JZ/S60/2009, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Daar is appellante in persoon verschenen, met bijstand van haar zoon T. Jolly. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft zich in mei 2008 tot verweerster gewend met het verzoek in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering op grond van de Wet als weduwe van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene) die op 6 februari 2008 is overleden.
1.2. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 13 oktober 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Daartoe is overwogen dat betrokkene ten tijde van zijn overlijden niet in het genot was van een periodieke uitkering op grond van de Wet of een andere regeling op grond van zijn oorlogsletsel, terwijl het overlijden van betrokkene niet is toe te schrijven aan het ondervonden oorlogsgeweld.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden en overweegt daartoe als volgt.
2.1. Op grond van artikel 7, aanhef en onder d, e en f, van de Wet heeft - voor zover hier van belang - recht op een uitkering de weduwe van een burger-oorlogsslachtoffer, indien:
d) het burger-oorlogsslachtoffer ten tijde van zijn overlijden in het genot was van een periodieke uitkering op grond van de Wet,
e) het burger-oorlogsslachtoffer is overleden als gevolg van oorlogsletsel als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet en hij, ware hij niet overleden, in aanmerking zou zijn gekomen voor een periodieke uitkering,
f) het burger-oorlogsslachtoffer ten tijde van zijn overlijden in het genot was van een periodieke uitkering ingevolge een andere wet, mits deze uitkering hem was toegekend op grond van oorlogsletsel als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet.
2.2. Blijkens de gedingstukken is betrokkene bij besluit van 13 september 2000 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is hem toen wel de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet toegekend, maar niet een periodieke uitkering omdat betrokkene zijn werkzaamheden in 1987 niet op grond van zijn oorlogsletsel had beëindigd. Een heroverweging van dat standpunt op grond van de voorhanden zijnde medische gegevens heeft verweerster in het kader van de onderhavige aanvraag niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Een en ander kan tot geen andere conclusie leiden dan dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor een nabestaandenuitkering als genoemd in artikel 7, aanhef en onder d en f, van de Wet. Van de zijde van appellante is ter zitting nog naar voren gebracht dat destijds bij de werk-beëindiging onvoldoende is stilgestaan bij de psychische toestand van betrokkene, maar dat kan aan het voorgaande niet afdoen.
2.3. Het standpunt van verweerster dat het overlijden van betrokkene niet is toe te schrijven aan oorlogsletsel als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet is in overeenstemming met adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. De Raad heeft in de voorhanden zijnde medische gegevens geen aanknopingspunt gevonden dit door verweerster gevolgde standpunt voor onjuist te houden. Dat betekent dat ook aan de onder artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet gestelde voorwaarde voor toekenning aan appellante voor een nabestaandenuitkering niet is voldaan.
3. Gezien het voorgaande wordt de onder 2 geformuleerde vraag bevestigend beantwoord, zodat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) B.E. Giesen.
HD