ECLI:NL:CRVB:2009:BK7227
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek op grond van de Wet burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in 2002 en opnieuw in 2008 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, met het oog op een toeslag en periodieke uitkering. Hij baseerde zijn verzoek op gezondheidsklachten als gevolg van de Japanse bezetting en de Bersiap-periode waarin zijn gezin in een beschermingskamp verbleef.
Verweerster wees de aanvragen af omdat niet was vastgesteld dat appellant door oorlogsgeweld was getroffen, zoals vereist in artikel 2, eerste lid van de Wet. Appellant maakte geen bezwaar tegen het eerste besluit, maar diende later een herzieningsverzoek in dat eveneens werd afgewezen. In beroep stelde appellant dat hij wel degelijk aanspraak maakte op de uitkeringen.
De Raad overwoog dat de bevoegdheid tot herziening discretionair is en dat alleen nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding kunnen geven tot herziening. Appellant had echter grotendeels dezelfde argumenten aangevoerd als in eerdere aanvragen. Daarom was er geen grond voor herziening en werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het herzieningsverzoek afgewezen.