ECLI:NL:CRVB:2009:BK7203
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vergelijkbare vervolgingsomstandigheden
Appellante, geboren in 1929 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in augustus 2007 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij getuige was geweest van de wegvoering van haar vader door de Japanners, die vervolgens werkzaamheden aan de dodenspoorweg in Thailand moest verrichten.
Verweerster wees de aanvraag bij besluit van 18 februari 2008 af en handhaafde dit na bezwaar. De reden was dat appellante zelf geen vrijheidsberoving had ondergaan en dat haar omstandigheden niet uitzonderlijk genoeg waren om haar met een vervolgd persoon gelijk te stellen.
De Raad toetste dit besluit en concludeerde dat er geen sprake was van met vervolging vergelijkbare omstandigheden. De wegvoering van haar vader was niet gepaard gegaan met excessief geweld en de vader was na gevangenschap teruggekeerd. Daarom kon het beroep niet slagen en werd het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard omdat niet is voldaan aan de criteria voor gelijkstelling met vervolging.