Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6880

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2607 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
  • R. Kooper
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWBArt. 58, eerste lid, aanhef en onder f, 2e, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering woonkostentoeslag na late belastingaangifte

Appellante ontving in 2003 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. Na een heronderzoek bleek zij een belastingteruggave te hebben ontvangen, waarna het Dagelijks Bestuur haar verzocht de aangifte inkomstenbelasting 2003 te overleggen. Omdat appellante hier niet tijdig aan voldeed, werd de toeslag ingetrokken en het bedrag van € 2.041,20 teruggevorderd.

Later wijzigde het Dagelijks Bestuur de terugvorderingsgrondslag en het terug te vorderen bedrag tot € 275,52. Het bezwaarschrift van appellante werd ongegrond verklaard omdat de belastingaangifte pas in de bezwaarfase werd overgelegd. Appellante stelde in hoger beroep dat zij haar inlichtingenplicht niet had geschonden en dat vanwege het geringe bedrag en dringende redenen terugvordering achterwege had moeten blijven.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de aangifte te laat is overgelegd en wijst het beroep af. De Raad oordeelt dat het terug te vorderen bedrag boven het beleidsdrempelbedrag ligt en dat dringende redenen niet zijn onderbouwd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van € 275,52 woonkostentoeslag wordt bevestigd.

Uitspraak

08/2607 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 maart 2008, 07/1417 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst van Steenwijkerland en Westerveld (hierna: Dagelijks Bestuur)
Datum uitspraak: 8 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter zitting van 27 oktober 2009 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving - voor zover hier van belang - over de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag. Nadat in het kader van een heronderzoek was gebleken dat zij over 2003 een belastingteruggave had ontvangen, is haar bij brieven van 4 januari 2006 en 8 augustus 2006 verzocht een kopie van de aangifte inkomstenbelasting 2003 over te leggen. Omdat niet aan dit verzoek werd voldaan heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 4 oktober 2006 de over 2003 verleende woonkostentoeslag ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) tot een bedrag van € 2.041,20 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd, zodat achteraf bezien het recht op woonkostentoeslag over 2003 niet is vast te stellen.
1.2. Bij besluit van 16 juli 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de terugvorderingsgrondslag gewijzigd van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, 2e, van de WWB, de intrekking herroepen en het terug te vorderen bedrag gewijzigd in € 275,52. Het bezwaarschrift is ongegrond verklaard omdat de eerder gevraagde gegevens pas in de bezwaarfase zijn overgelegd en het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand is afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 16 juli 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat appellante haar inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat zij de aangifte inkomstenbelasting wel tijdig heeft overgelegd, dat het bezwaarschrift ten onrechte ongegrond is verklaard, dat niet langer aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, en dat vanwege het kruimelbedrag en de aanwezigheid van dringende redenen van terugvordering had moeten worden afgezien.
4. De Raad komt tot de volgende boordeling.
4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het ervoor moet worden gehouden dat appellante de aangifte inkomstenbelasting 2003 pas in de bezwaarfase heeft overgelegd. De grief dat appellante ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase is toegekend heeft zij aanvankelijk gekoppeld aan het door het Dagelijks Bestuur onjuist geformuleerde “dictum” van het besluit op bezwaar. Nu in hoger beroep niet langer aanspraak wordt gemaakt op deze vergoeding en ook overigens niet is aangegeven welke consequenties aan het gestelde onjuiste “dictum” (wat daar van zij) in het besluit op bezwaar moeten worden verbonden, treft de resterende grief geen doel. Overigens merkt de Raad nog op dat de Algemene wet bestuursrecht voor besluiten op bezwaar, anders dan voor beslissingen in beroep en hoger beroep, geen dicta voorschrijft.
4.2. Dat het Dagelijks Bestuur van terugvordering had moeten afzien omdat volgens de ter zake geldende beleidsregels een drempelbedrag van € 250,-- wordt gehanteerd, kan de Raad niet volgen reeds omdat het terug te vorderen bedrag - uiteindelijk - op € 275,52 is vastgesteld. Aan de stelling, ten slotte, dat sprake zou zijn van dringende redenen om van terugvordering van het bedrag van € 275,52 af te zien, gaat de Raad voorbij nu dit op geen enkele wijze is toegelicht of onderbouwd.
4.3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) W. Altenaar.
mm