[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 oktober 2008, 08/1196 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 december 2009
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
1.1. Appellante was werkzaam als steksteekster en heeft deze werkzaamheden op 23 mei 2005 gestaakt als gevolg van psychische- en gewrichtsklachten.
1.2. Op 5 maart 2007 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat appellante op 21 mei 2007, het einde van de geldende wachttijd, voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 27 februari 2008 ongegrond verklaard. Aan de ontzegging van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar mogelijkheden en beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 27 februari 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden, hoewel de medische beoordeling naar aanleiding van de aanvraag van appellante niet is gedaan door een geregistreerde verzekeringsarts. De rechtbank kan zich voorts verenigen met de door het Uwv voor appellante vastgestelde mogelijkheden en beperkingen.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Namens appellante is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden, onder meer omdat de bezwaarverzekeringsarts appellante niet zelf heeft onderzocht. Voorts is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de voor appellante geformuleerde beperkingen juist heeft geacht. Deze stelling is namens appellante mede onderbouwd met een nadere rapportage van het Instituut Psychosofia Centrum voor Spirituele Geneeswijze en Spirituele Dans.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1.1. Niet in geschil is dat de arts, die de primaire medische beoordeling heeft verricht, ten tijde van die beoordeling niet als verzekeringsarts geregistreerd stond. Zoals blijkt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN: BA9904, 9905, 9908, 9909 en 9910) kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts. Registratie als verzekeringsarts staat in beginsel borg voor een zekere kwaliteit. Zolang die registratie nog niet heeft plaatsgevonden, kan er in beginsel niet van worden uitgegaan dat het onderzoek van de (nog) niet als verzekeringsarts geregistreerde arts diezelfde kwaliteit bezit. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld, indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerde arts. Een (nieuw) lichamelijk onderzoek zal daarbij niet steeds noodzakelijk zijn, maar tegelijk zal in die fase van de besluitvorming als regel dossieronderzoek niet volstaan.
4.1.2. In het onderhavige geval leidt naar het oordeel van de Raad het hiervoor gesignaleerde gebrek niet tot de conclusie dat het bestreden weigeringsbesluit in medische zin onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De wel geregistreerde bezwaarverzekeringsarts heeft appellante gezien en gesproken op de hoorzitting en had bij zijn beoordeling onder meer de beschikking over informatie van een psycholoog en een arts, die aan de Riagg Rijnmond zijn verbonden en appellante hebben behandeld. Bovendien beschikte de bezwaarverzekeringsarts over een zogenoemde ‘blokkaderapportage” d.d. 17 juli 2007 van een op die datum door mw. Verhage, docente en oprichtster van het Instituut Psychosofia, verricht onderzoek. Gelet voorts op de aard van de medische klachten van appellante en de onderzoeksbevindingen van het door de arts P.C.R. Menco op 13 april 2007 verrichte lichamelijk onderzoek van appellante, heeft de bezwaarverzekeringsarts in dit geval af kunnen zien van een eigen lichamelijk onderzoek.
4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen vinden in de mogelijkheden en beperkingen van appellante, zoals die zijn opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 mei 2007. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Bij het opstellen van deze FML zijn alle door appellante naar voren gebrachte klachten in ogenschouw genomen. Naar het oordeel van de Raad is door de bezwaarverzekeringsarts voldoende overtuigend onderbouwd, dat hetgeen namens appelante in bezwaar, beroep en hoger beroep naar voren is gebracht, geen reden vormt om meer of zwaardere beperkingen aan te nemen. Voor een nader onderzoek door een deskundige ziet de Raad dan ook geen grond.
4.3. Door de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige is voorts naar het oordeel van de Raad op voldoende overtuigende wijze gemotiveerd, dat appellante met de in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de werkzaamheden, verbonden aan vier van de vijf aanvankelijk geduide functies, te verrichten. Gelet op hetgeen appellante hiermee zou kunnen verdienen, bedraagt haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35%.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Er is geen aanleiding om een van de partijen te veroordelen in de proceskosten.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter, en T. Hoogenboom en A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.