ECLI:NL:CRVB:2009:BK5896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning voorziening rolstoel aan gehandicapte onder Wvg
Appellante, rolstoelgebonden door lichamelijke en verstandelijke handicap, vroeg meerdere malen om aanpassing of vervanging van haar rolstoel op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg). Het College kende aanvankelijk een voorziening toe voor reparatie en aanpassing, maar wees vervanging af. Na een nieuw advies van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) werd later vervanging toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit tot reparatie ongegrond, omdat er geen medische gegevens waren die het advies van het CIZ in twijfel trokken en het College redelijk had gehandeld gezien de staat van de rolstoel destijds. Appellante stelde in hoger beroep dat vervanging medisch noodzakelijk was en dat reparatie niet volstond.
De Raad oordeelde dat het College met het latere besluit tot vervanging het belang van appellante grotendeels had erkend, maar dat er nog procesbelang bestond vanwege mogelijke geleden schade. De Raad vond dat het niet onaannemelijk was dat appellante schade had geleden door het eerdere besluit. Echter, gezien het rapport van januari 2008 waarin werd vastgesteld dat reparatie toen nog verantwoord was, kon het College redelijk besluiten tot aanpassing en reparatie. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het College in redelijkheid kon besluiten tot aanpassing en reparatie van de rolstoel, ondanks latere vervanging.