Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5639

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-272 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16d Coördinatiewet Sociale Verzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aansprakelijkstelling wegens onvoldoende bewijs kennelijk onbehoorlijk bestuur

Appellant was bestuurder van een beveiligingsbedrijf dat failliet ging. Het UWV stelde hem hoofdelijk aansprakelijk voor niet-betaalde premies over de jaren 2000-2002 wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bestuur van appellant kennelijk onbehoorlijk was. De Raad beoordeelde zelfstandig de feiten en omstandigheden en concludeerde dat de stellingen van het UWV onvoldoende onderbouwd waren.

De Raad nam mee dat appellant aannemelijk maakte dat debiteurenbeheer redelijk was, dat langere betalingstermijnen in de branche gebruikelijk waren, en dat het niet tijdig opmaken van jaarrekeningen geen zwaarwegend punt vormde. Ook het ontbreken van schadevergoeding bij contractbeëindiging werd niet als kennelijk onbehoorlijk bestuur aangemerkt.

De Raad vernietigde het besluit van het UWV en de aangevallen uitspraak, herroept het primaire besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit van het UWV tot aansprakelijkstelling wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen.

Uitspraak

09/272 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 november 2008, 08/752 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 2 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. Kastelein, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kastelein, voornoemd. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
2.1. [Naam B.V. 1] (hierna: [naam B.V. 1]), een bedrijf dat zich bezighield met de exploitatie van portiersdiensten/beveiliging voor de horeca in [plaatsnaam A], is opgericht op 31 maart 1999 door [Naam J.G. K.] (hierna: [naam J.G. K.]). Vanaf 31 maart 1999 tot 8 april 2002 was [naam J.G. K.] bestuurder van [naam B.V. 1]. Vanaf 28 september 1999 was appellant ook bestuurder van [naam B.V. 1].
2.2. Appellant was tevens bestuurder van [naam B.V. 2] (hierna: [naam B.V. 2]), welke vennootschap vanaf oktober 1999 horecaondernemingen aan de Grote Markt ZZ exploiteerde. Deze bedrijven werden via [naam B.V. 3] gepacht van [naam S.K.]. Op 28 oktober 2002 werd de pachtovereenkomst met [naam B.V. 2] (eenzijdig) door [naam S.K.] beëindigd, en werd de exploitatie van de horecaondernemingen voortgezet door [naam B.V. 4] en [naam B.V. 5] (hierna: [naam B.V. 4 / Naam B.V. 5]). Eind januari 2003 beëindigde [naam B.V. 4 / Naam B.V. 5] het contract met [naam B.V. 1]. [naam B.V. 2] en haar opvolger [naam B.V. 4 / Naam B.V. 5] waren (veruit) de grootste klant van [naam B.V. 1].
2.3. Op 8 januari 2003 is namens [naam B.V. 1] een melding van betalingsonmacht gedaan. [naam B.V. 1] is op 4 februari 2003 in staat van faillissement verklaard.
2.4. Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het Uwv [naam J.G. K.] op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam B.V. 1] in de jaren 2000 tot en met 2002 verschuldigde en niet betaalde premies tot een bedrag van € 39.921,87. Bij besluit van 18 februari 2005 heeft het Uwv het bezwaar van [naam J.G. K.] tegen het besluit van 31 augustus 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 mei 2006, 05/255 CSV, heeft de rechtbank Groningen het beroep van [naam J.G. K.] tegen het besluit van 18 februari 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 juli 2007, LJN BB1621, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 mei 2006 bevestigd.
2.5. Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft het Uwv tevens appellant op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door [naam B.V. 1] in de jaren 2000 tot en met 2002 verschuldigde en niet betaalde premies, tot een bedrag van € 83.017,18.
2.6. Bij besluit van 4 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 augustus 2004 gegrond verklaard en het bedrag van de aansprakelijkstelling verlaagd tot € 64.402,55.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 juni 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling
5.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat, nu gesteld noch gebleken is dat de relevante feiten en omstandigheden verschillen van die op grond waarvan de Raad in het hoger beroep van [naam J.G. K.] tot een ongegrondverklaring daarvan is gekomen, (ook) de aansprakelijkstelling van appellant in stand dient te worden gelaten. De Raad is met appellant van oordeel dat appellant niet gebonden kan worden geacht aan een uitspraak van de Raad in een ander geschil waarbij hij geen partij was. De Raad zal zich dan ook – op grond van het wettelijk kader, de feiten en omstandigheden van het geval en naar aanleiding van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd – een zelfstandig oordeel vormen over de aansprakelijkstelling van appellant.
5.2. De Raad stelt vast dat het Uwv de melding betalingsonmacht van 8 januari 2003 heeft aangemerkt als een rechtsgeldige melding, zodat het op grond van artikel 16d, derde lid, van de CSV aan het Uwv is om aannemelijk te maken dat de niet-betaling van de premies over de jaren 2000 tot en met 2002 een gevolg is van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.
5.3. Uit het besluit van 4 juni 2007 blijkt dat het Uwv het aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur baseert op de volgende vier punten. Ten eerste stelt het Uwv dat het debiteurenbeheer dusdanig te wensen overliet dat de schulden onnodig hoog zijn opgelopen. In de tweede plaats stelt het Uwv dat het contract met de grootste opdrachtgever [naam B.V. 2] mondeling en zonder enig voorbehoud is overeengekomen, en dat het zeer verwijtbaar is dat op geen enkele wijze is getracht het contract met de opvolger van [naam B.V. 2], [naam B.V. 4 / Naam B.V. 5], te continueren dan wel schadevergoeding te vorderen vanwege vroegtijdige beëindiging van het contract. Ten derde is het Uwv gebleken dat er buitensporige hoge lonen werden betaald door [naam B.V. 2]. Ten vierde noemt het Uwv als ernstige tekortkoming dat de jaarrekeningen over de jaren 1999 tot en met 2001 niet tijdig zijn opgemaakt.
5.4. Alhoewel de Raad zich op basis van de gedingstukken niet aan de indruk kan ontrekken dat als gevolg van mede door appellant genomen (financiële) beslissingen een minder gelukkig en professioneel beleid is gevoerd dat in ieder geval niet voor verbetering zorgde van de reeds vanaf de oprichting slecht te noemen liquiditeitspositie, komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de onder 5.3 genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, gekwalificeerd kunnen worden als aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad overweegt daartoe het volgende.
5.5. Appellant heeft (ook) in hoger beroep met klem de niet onderbouwde stelling van het Uwv bestreden dat de debiteuren niet (tijdig) werden aangesproken om onbetaalde rekeningen te betalen. De Raad stelt vast dat het standpunt van appellant wordt ondersteund door de in het Faillissement controlerapport van 27 mei 2003 opgenomen lijst van de op datum van het faillissement openstaande vorderingen, waaruit blijkt dat de op datum faillissement openstaande vorderingen opgebouwd waren in een relatief korte periode. De stelling van appellant dat het aanhouden van wat langere betalingstermijnen in de branche gebruikelijk was, maar dat hij er steeds achteraan zat en dat het geld gewoonlijk wel binnenkwam, acht de Raad voldoende geloofwaardig. Uit voornoemd rapport van 27 mei 2003 komt inderdaad naar voren dat ook in het verleden weliswaar sprake was van (grote) achterstanden in betalingen, maar dat deze wel altijd werden ingelopen. Appellant erkent weliswaar dat in de faillissementen van enkele (grote) klanten geen vorderingen werden ingediend bij de curator, maar zijn gedetailleerde betoog dat van meet af aan evident was dat de vorderingen gelet op de omvang van de boedel niet zouden worden betaald en dat inmiddels alle faillissementen zijn opgeheven wegens de toestand van de boedel die een uitkering aan crediteuren niet toeliet, is door het Uwv op geen enkele wijze weerlegd.
5.6. Voorts heeft appellant (ook) in hoger beroep gemotiveerd bestreden dat sprake was van buitensporig hoge lonen. Appellant erkent dat [naam B.V. 1] betaalde boven de in de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties opgenomen salarisschalen, maar wijst er op dat sprake was van gekwalificeerd werk (met name) in de nachtelijke uren waarvoor de CAO een bijzonder salarisregiem kent, en dat overwerk (in tegenstelling tot in de CAO) bij [naam B.V. 1] niet apart werd beloond. Bovendien stelt appellant dat concurrerende bedrijven als [namen concurrerende bedrijven] vergelijkbare vergoedingen betaalden. Het Uwv heeft deze stelling niet weerlegd dan wel op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat toch sprake was van buitensporig hoge lonen die, op zichzelf dan wel in combinatie met andere factoren, tot de kwalificatie van onbehoorlijk bestuur zouden kunnen leiden.
5.7. De Raad is voorts van oordeel dat de wijze waarop [naam B.V. 1] zijn contractuele relatie met zijn grootste opdrachtgever [naam B.V. 2] heeft vormgegeven mogelijk vanuit juridisch oogpunt niet de voorkeur verdient, maar dat daarin op zich geen kennelijk onbehoorlijk bestuur is gelegen. Ook het feit dat [naam B.V. 1] bij [naam B.V. 4 / Naam B.V. 5] geen schadevergoeding heeft gevorderd wegens het vroegtijdig beëindigen van het contract kan de Raad billijken, gelet op het feit dat – zoals appellant ter zitting heeft aangegeven – ook [naam B.V. 4 / Naam B.V. 5] failleerde.
5.8. Tot slot is de Raad van oordeel dat aan het feit dat de jaarrekeningen over de jaren 1999 tot en met 2001 te laat zijn opgemaakt, in het licht van de beoordeling van de overige drie door het Uwv aan het kennelijk onbehoorlijk bestuur ten grondslag gelegde punten, in dit geval geen groot gewicht toekomt.
5.9. Op grond van al het hiervoor overwogene komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet betalen van de door [naam B.V. 1] verschuldigde premie een gevolg is van aan appellant te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, zodat het besluit van Uwv van 4 juni 2007 niet berust op de vereiste deugdelijke motivering. Dit brengt mee dat dit besluit en in het voetspoor daarvan de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad ziet tevens aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit 19 augustus 2004 te herroepen, nu dit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust.
6. De Raad acht tot slot termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 juni 2007;
Herroept het primaire besluit van 19 augustus 2004;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1288,--; Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 146,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
DW