ECLI:NL:CRVB:2009:BK5639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aansprakelijkstelling wegens onvoldoende bewijs kennelijk onbehoorlijk bestuur
Appellant was bestuurder van een beveiligingsbedrijf dat failliet ging. Het UWV stelde hem hoofdelijk aansprakelijk voor niet-betaalde premies over de jaren 2000-2002 wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het bestuur van appellant kennelijk onbehoorlijk was. De Raad beoordeelde zelfstandig de feiten en omstandigheden en concludeerde dat de stellingen van het UWV onvoldoende onderbouwd waren.
De Raad nam mee dat appellant aannemelijk maakte dat debiteurenbeheer redelijk was, dat langere betalingstermijnen in de branche gebruikelijk waren, en dat het niet tijdig opmaken van jaarrekeningen geen zwaarwegend punt vormde. Ook het ontbreken van schadevergoeding bij contractbeëindiging werd niet als kennelijk onbehoorlijk bestuur aangemerkt.
De Raad vernietigde het besluit van het UWV en de aangevallen uitspraak, herroept het primaire besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot aansprakelijkstelling wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur wordt vernietigd en het primaire besluit herroepen.