ECLI:NL:CRVB:2009:BK5341
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening voor elektrische rolstoel wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Verzoeker, een persoon met een progressieve spierziekte, vroeg bij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam om een elektrische rolstoel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het College wees de aanvraag af omdat verzoeker niet rechtmatig in Nederland verblijft, een vereiste voor het verkrijgen van individuele voorzieningen volgens artikel 8 van Pro de Wmo.
Verzoeker stelde dat hij behoort tot de meest kwetsbaren en beroept zich op artikelen 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en op artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks de progressieve aandoening en de beperkingen van verzoeker, het ontbreken van rechtmatig verblijf de toekenning van de rolstoel in de weg staat.
De voorzieningenrechter achtte het spoedeisend belang van verzoeker voldoende, maar concludeerde dat er geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de eerdere uitspraak in de bodemprocedure zal worden vernietigd. Het beroep op het EVRM werd verworpen omdat geen sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die een schending van artikel 3 EVRM Pro zouden vormen, en de weigering van de rolstoel geen disproportionele inbreuk op het privé- en gezinsleven van verzoeker oplevert.
Ook het non-discriminatiebeginsel uit artikel 14 EVRM Pro en het Twaalfde Protocol werd niet aanvaard, aangezien de koppelingswetgeving die rechten aan vreemdelingen koppelt aan rechtmatig verblijf, verenigbaar is met internationale verdragen. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een elektrische rolstoel wordt afgewezen vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf.