ECLI:NL:CRVB:2009:BK5331
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van gedifferentieerde WAO-premie en ontvankelijkheid van bezwaren tegen premienota's
Appellante, met drie vestigingen, ontving premienota's van het UWV over de gedifferentieerde WAO-premie 2005. Zij maakte bezwaar tegen de premienota's, die door het UWV werden afgewezen. De rechtbank vernietigde deze besluiten, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep werd de ontvankelijkheid van de bezwaren tegen de premienota's van 24 april 2006 onderzocht.
De Raad oordeelde dat de premienota's zelf geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn, omdat zij geen nieuwe rechtsgevolgen teweegbrengen. De bezwaren tegen deze nota's zijn daarom niet-ontvankelijk. De kennisgevingen van 21 februari 2006, waarin de premie werd vastgesteld, zijn wel besluiten en de bezwaren daartegen zijn ongegrond verklaard.
Verder werd vastgesteld dat voor het premiejaar 2005 alleen het premieplichtige loon van de (deel)onderneming [vestiging 1] telt, omdat [vestiging 2] pas in 2004 werd overgenomen en [vestiging 3] nog niet bestond in 2003. Hierdoor is appellante terecht als kleine werkgever aangemerkt en is de premie van 2,17% juist vastgesteld. Een telefonisch toegezegde wijziging door een medewerker van het UWV werd niet rechtsgeldig geacht.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand werden gelaten, verklaarde de bezwaren tegen de premienota's niet-ontvankelijk en bevestigde de rechtsgevolgen van de besluiten van 31 augustus 2006. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De bezwaren tegen de premienota's worden niet-ontvankelijk verklaard en de gedifferentieerde WAO-premie van 2,17% blijft gehandhaafd.