ECLI:NL:CRVB:2009:BK5297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6061 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over WAO-uitkering wegens onzorgvuldige besluitvorming

Appellant, geboren in 1939 en woonachtig in Servië, had een aanvraag ingediend voor een pro-rata WAO-uitkering op grond van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Joegoslavië. Het UWV stelde dat in 2000 al een afwijzende beslissing was genomen, maar kon dit niet bewijzen vanwege een zoekgeraakt dossier. Appellant ontving nooit een beslissing en het bevoegde Servische orgaan was ook niet op de hoogte van een Nederlandse beslissing.

In 2004 diende appellant twee bezwaarschriften in, die door het UWV als afzonderlijke procedures werden behandeld. Het eerste bezwaarschrift werd gegrond verklaard met een opdracht tot nieuw onderzoek, terwijl het tweede ongegrond werd verklaard. Het UWV gaf echter geen uitvoering aan de beslissing op het eerste bezwaarschrift en was zich niet bewust van de dubbele bezwaarprocedures.

De Raad oordeelde dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door geen uitvoering te geven aan de beslissing van 15 oktober 2004 en uitsluitend te verwijzen naar de beslissing van 17 december 2004. Hierdoor was het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en kon het niet in stand blijven. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het eerdere onderzoek. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het gestorte recht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het eerdere onderzoek.

Uitspraak

07/6061 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Servië, (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2007, 07/423 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.H.R. van Heeks, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2009. Namens appellant is verschenen mr. Van Heeks, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is [in] 1939 geboren en woont in Servië. Hij heeft gedurende de jaren 1966 en 1967 enige tijd in Nederland gewerkt. Blijkens een brief van de Sociale Verzekeringsbank van 28 augustus 1968 is appellant van 15 juni 1966 tot 17 juni 1967 verzekerd geweest ingevolge de Nederlandse sociale verzekeringswetten.
1.2. Bij brief van 11 november 2002 heeft appellant aan het Uwv medegedeeld, dat hij in juni 2002 een aanvraag om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ingediend bij het bevoegde Servische orgaan in [plaatsnaam]. Tevens heeft hij in die brief aan het Uwv gevraagd of de aanvraag inmiddels door het Uwv was ontvangen en, zo neen, of het Uwv contact wilde opnemen met het bevoegde Servische orgaan.
1.3. Het Uwv heeft appellant daarop bij brief van 19 augustus 2003, onder meer, medegedeeld dat de aanvraag al eind januari 2000 is afgesloten en dat toen een beslissing is verzonden aan het bevoegde Joegoslavische orgaan, dat de beslissing aan appellant had moeten zenden.
1.4. Vervolgens zijn namens appellant nog enige brieven aan het Uwv gezonden over de beslissing op zijn verzoek om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Daarbij is aangegeven dat bij navraag bij het bevoegde Servische orgaan is gebleken dat ook daar geen beslissing uit Nederland bekend is. Bij brief van 1 maart 2004, met als opschrift “bezwaarschrift”, is namens appellant verzocht om een beslissing te nemen op zijn aanvraag, omdat hij anders geen bezwaar kan maken. Bij brief van 14 mei 2004, eveneens met als opschrift “bezwaarschrift”, heeft appellant opgemerkt dat hij geen inhoudelijke reactie op zijn brief van 1 maart 2004 heeft ontvangen en is nogmaals gevraagd een beslissing te nemen op zijn aanvraag om een WAO-uitkering.
1.5. Op verzoek van het Uwv zijn namens appellant bij brief van 15 september 2004 enkele gegevens overgelegd met betrekking tot de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid in Servië.
1.6. Bij beslissing op bezwaar van 15 oktober 2004 (kenmerk 186.075.31 RM) heeft het Uwv het bezwaar van appellant van 1 maart 2004 gegrond verklaard. Tevens is bij dit besluit opdracht gegeven een nieuw onderzoek te starten naar de eventuele aanspraken van appellant op een WAO-uitkering. Daartoe is overwogen dat de medische, arbeidskundige en juridische grondslag niet kan worden beoordeeld.
1.7. Bij beslissing op bezwaar van 17 december 2004 (kenmerk 186.076.31 BWX) heeft het Uwv het bezwaar van appellant van 14 mei 2004 ongegrond verklaard, omdat er op 19 augustus 2003 reeds een beslissing omtrent de aanspraak op WAO-uitkering is genomen waartegen door appellant geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Het namens appellant tegen deze beslissing ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 juni 2005 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de aanvullende gronden niet tijdig waren ingediend.
1.8. Vervolgens is namens appellant enige keren aan het Uwv verzocht een beslissing te nemen op zijn aanvraag om een WAO-uitkering. Op 17 juli 2006 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen de fictieve weigering van het Uwv om tot betaling van een WAO-uitkering aan hem over te gaan. Bij beslissing op bezwaar van 18 juli (lees: september) 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er geen sprake is van een besluit dat tot betaling van een WAO-uitkering verplicht, nu de beslissing van 17 december 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. Namens appellant is in hoger beroep wederom aangevoerd dat het Uwv nog geen uitvoering heeft gegeven aan de beslissing op bezwaar van 15 oktober 2004, waarin opdracht is gegeven een nieuw onderzoek te starten naar de eventuele aanspraken van appellant op een WAO-uitkering.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd om tot uitbetaling van een WAO-uitkering aan appellant over te gaan op de grondslag dat geen sprake is van een besluit dat daartoe verplicht, nu de beslissing op bezwaar van 17 december 2004 in kracht van gewijsde is gegaan.
4.2. De Raad stelt voorop dat de achtergrond van dit geschil wordt gevormd door een verschil van mening tussen partijen over de vraag of op enig tijdstip door het Uwv is beslist op de aanvraag van appellant om een pro-rata WAO-uitkering op grond van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Joegoslavië. Het Uwv stelt dat in 2000 afwijzend op de aanvraag is beslist, maar kan geen gegevens daarover in het geding brengen, omdat het dossier onvindbaar zou zijn. Appellant stelt dat hij nimmer een beslissing op zijn aanvraag heeft ontvangen en dat bij het bevoegde Servische orgaan ook niets bekend is omtrent een beslissing van het Uwv.
4.3. In het kader van de correspondentie hieromtrent zijn namens appellant in maart en mei 2004 twee brieven aan het Uwv gezonden, beide met als opschrift “bezwaarschrift”. De Raad stelt vast dat deze beide brieven, die evident betrekking hebben op dezelfde aanspraak op uitkering, door het Uwv zijn geregistreerd als twee afzonderlijke bezwaarschriften met twee, hiervoor vermelde, aparte kenmerken, die door verschillende medewerkers van het Uwv zijn behandeld. Het eerste bezwaarschrift is gegrond verklaard, en het tweede bezwaarschrift is ongegrond verklaard.
4.4. De Raad acht het zeer onzorgvuldig dat het Uwv bij de verdere besluitvorming in dit geding en de correspondentie daarover met appellant geen enkele aandacht meer heeft besteed aan de beslissing van 15 oktober 2004 op het eerste bezwaarschrift. Daarbij wijst de Raad erop dat uit de beslissing van 17 december 2004 op het tweede bezwaarschrift niet blijkt dat het Uwv daarmee de beslissing op bezwaar van 15 oktober 2004 heeft ingetrokken of gewijzigd. Het Uwv was zich er op dat moment kennelijk niet van bewust dat twee bezwaarprocedures waren geregistreerd over hetzelfde onderwerp.
4.5. Tevens vloeit uit het hiervoor overwogene voort dat het Uwv onjuist en onzorgvuldig heeft gehandeld door geen uitvoering te geven aan de beslissing op bezwaar van 15 oktober 2004 en door bij de voorbereiding van het bestreden besluit uitsluitend te verwijzen naar de beslissing op bezwaar van 17 december 2004. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en genomen, zodat het wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is gehandhaafd, komt voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv dient met inachtneming van onder meer het onderzoek als bedoeld in de beslissing op bezwaar van 15 oktober 2004 op dit bezwaar te beslissen.
5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 644,- in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het gestorte recht van € 144,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2009.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) W. Altenaar.
mm