ECLI:NL:CRVB:2009:BK5220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op gedeeltelijke WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om niet terug te komen op een eerdere toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering, waarbij een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% was vastgesteld per 22 augustus 2003.
De rechtbank Amsterdam had het beroep van appellant ongegrond verklaard, stellende dat de medische gegevens waarop appellant zich beroept reeds bekend waren bij het UWV en dat een andere weging van deze feiten geen nieuw feit of omstandigheid vormt in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen door persoonlijkheidsproblematiek, spraakstoornis en concentratieproblemen onjuist waren vastgesteld en dat de arbeidskundige rapportage van december 2005 een gebrek aan grondslag voor het besluit aantoonde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze nieuwe inzichten slechts een andere waardering van reeds bekende feiten betreffen en daarom niet kwalificeren als nieuwe feiten of omstandigheden. Tevens is het gebruik door het UWV van haar bevoegdheid conform artikel 4:6 Awb Pro niet onredelijk of strijdig met rechtsregels.
Daarom wordt het hoger beroep van appellant verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de gedeeltelijke WAO-uitkering wordt bevestigd.