Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving sinds 1989 met onderbrekingen een WAO-uitkering vanwege psychische klachten, laatstelijk berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een heronderzoek op grond van het gewijzigde Schattingsbesluit concludeerde het UWV dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid, maar geschikt voor passende voltijdse functies zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit. Op basis hiervan werd de WAO-uitkering per 20 mei 2007 ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat het besluit was gebaseerd op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De subjectieve klachten van appellant waren niet doorslaggevend voor de mate van arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep betwist appellant deze beoordeling en stelt dat zijn beperkingen groter zijn dan vastgesteld.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt vast dat de verzekeringsarts bij zijn beoordeling rekening hield met relevante medische informatie, waaronder psychiater- en neuroloograpporten en huisartsgegevens. Appellant heeft geen aanvullend onafhankelijk medisch rapport overgelegd ondanks aankondiging. De Raad acht de medische en arbeidskundige beoordeling juist en concludeert dat appellant geschikt is voor passende functies. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.
Uitspraak
09/1759 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2009, 07/2365 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J. Hofmans, advocaat te Hilversum, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hofmans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving in verband met psychische klachten sedert 1989, met onderbreking, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid, doch met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende, voltijdse functies zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit.
1.2. Bij besluit van 20 maart 2007 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 20 mei 2007 ingetrokken op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het tegen dat besluit door appellant gemaakt bezwaar is bij besluit van 23 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen geen reden te hebben om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De conclusies van de verzekeringsartsen zijn naar behoren gemotiveerd. De rechtbank heeft daarbij benadrukt dat de door appellant weergegeven klachten en de subjectieve beleving van zijn beperkingen niet bepalend zijn voor de mate van zijn arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO.
2.2. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 19 juli 2007 voldoende heeft gemotiveerd dat appellant de werkzaamheden in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan verrichten.
3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Hij heeft aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat hij in verband met zijn psychische klachten meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en dat hij zich niet in staat acht tot het verrichten van arbeid.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en onderschrijft de daartoe door de rechtbank gehanteerde overwegingen. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad nog het volgende. In verband met de psychische klachten van appellant en de hem overkomen insulten heeft de verzekeringsarts bij zijn beoordeling betrokken de resultaten van de op 3 september 2004 op verzoek van het Uwv door psychiater J. IJsselstein verrichte onderzoek alsmede de informatie van de behandelend neuroloog van 28 februari 2006 en het bij brief van 14 februari 2007 aan de verzekeringsarts van het Uwv gezonden journaal van de huisarts. Verder heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat appellant voor zijn fysieke klachten niet onder behandeling is. Op grond hiervan heeft hij een FML opgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft aanleiding gezien om extra beperkingen aan te nemen als gevolg van een recidiverende epilepsieaanval. De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn opvatting dat het Uwv de bij het laatste onderzoeken verkregen medische informatie niet serieus heeft genomen. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant naar objectieve maatstaven gemeten zwaarder of meer beperkt is te achten dan door het Uwv is vastgesteld. Daarbij merkt de Raad op dat appellant in hoger beroep heeft aangekondigd een onafhankelijk arts te zullen raadplegen, doch geen rapport heeft overgelegd noch anderszins het hoger beroep heeft onderbouwd met nadere, van (behandelende) artsen afkomstige, medische gegevens. Met betrekking tot de grief van appellant dat bij de huidige beoordeling onvoldoende aandacht is geweest voor de beoordelingen in het verleden, wijst de Raad er op dat de onderhavige schatting berust op de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van het gewijzigde Schattingsbesluit, waarbij strengere criteria worden gehanteerd dan in het verleden.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is ook de Raad, gelet op de door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 19 juli 2007 gegeven toelichting, van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.