Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5171

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4281 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en geoordeeld dat het medisch en arbeidskundig onderzoek deugdelijk was.

In hoger beroep betwist appellant de juistheid van de beoordeling en stelt dat het UWV zijn belastbaarheid te optimistisch heeft ingeschat en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat informatie van de huisarts niet is betrokken. De Raad overweegt dat de verzekeringsarts weliswaar mogelijk niet beschikte over de huisartsgegevens, maar dat dit niet afdoet aan de zorgvuldigheid van het onderzoek. De arts had een goed beeld van de klachten en de bezwaarverzekeringsarts heeft de huisartsinformatie wel betrokken bij haar heroverweging.

De Raad vindt geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid juist is vastgesteld. De functies die appellant passend worden geacht, zijn medisch verantwoord. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

08/4281 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2008, 08/146 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Voor appellant is niemand verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij besluit van 5 juli 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 november 2007 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat er voor appellant ingaande 21 augustus 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts de meest recente informatie in zijn oordeel heeft betrokken en dat appellant (in beroep) geen medische gegevens heeft overgelegd, die aanleiding zouden kunnen geven tot twijfel over de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het Uwv genoegzaam heeft toegelicht dat de voor appellant geduide functies passend zijn.
3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft daartoe gesteld dat het Uwv zijn belastbaarheid te optimistisch heeft ingeschat en hij volledig arbeidsongeschikt is. Verder heeft appellant herhaald dat het besluit van 5 juli 2007 gebaseerd is op onzorgvuldig medisch onderzoek nu de van de behandelend huisarts afkomstige informatie niet is betrokken in de beoordeling van de verzekeringsarts.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft gesteld geen grond gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel. De Raad heeft geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad overweegt daartoe dat de arts A.J. Colijn, die appellant in het kader van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft onderzocht, bij zijn beoordeling de meest recente informatie heeft betrokken, waaronder de door appellant (in het gesprek met de arbeidsdeskundige) geuite gewrichts- en prostaatklachten. Dat Colijn mogelijk niet beschikte over de medische informatie van de huisarts, doet naar het oordeel van de Raad niet af aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek als geheel. De Raad overweegt hiertoe dat uit de rapportage van 4 juli 2007 van Colijn volgt dat deze een goed beeld had van de klachten van appellant en dat de bezwaarverzekeringsarts S.R. Hofman blijkens haar rapportage van 22 november 2007 een volledige heroverweging heeft verricht. Hofman heeft bij haar beoordeling (wel) de van huisarts afkomstige informatie betrokken en heeft hierin geen reden gezien af te wijken van het oordeel van Colijn. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv. Appellant heeft noch in beroep noch in hoger beroep medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zijn medische beperkingen door het Uwv onjuist zijn vastgesteld.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 mei 2007 is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht als geschikt dienen te worden aangemerkt. Het Uwv heeft bij arbeidskundige rapportage van 4 juli 2007 een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.
4.3. Uit het hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) M.A. van Amerongen.
IvR