ECLI:NL:CRVB:2009:BK5128

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3560 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering, die door het UWV was aangepast van een arbeidsongeschiktheid van 65-80% naar 45-55%, met ingang van 5 juli 2007. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit.

In hoger beroep stelde appellante dat zij psychisch meer beperkt zou zijn dan door het UWV werd aangenomen. De Raad overwoog dat de verzekeringsarts aanzienlijke beperkingen vaststelde, en dat de bezwaarverzekeringsarts dit oordeel bevestigde na dossierstudie en overleg met de behandelend psychiater. Er was geen bewijs dat het medische standpunt onjuist was, noch werden in hoger beroep nieuwe objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel konden doen rijzen.

De Raad benadrukte dat alleen de situatie op de datum in geding (5 juli 2007) werd beoordeeld, en dat latere verslechteringen niet in aanmerking konden worden genomen, tenzij deze een ander licht zouden werpen op de situatie op die datum. Dit was niet gebleken. De Raad bevestigde dat de functies waarop het besluit was gebaseerd medisch geschikt waren voor appellante.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er waren geen gronden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

09/3560 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 juni 2009, 08/454 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door Reeser voornoemd. Het Uwv heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 5 juli 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 18 januari 2008, hierna: het bestreden besluit, ongegrond is verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens de overwegingen in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd, kort weergegeven, dat zij op de datum in geding psychisch meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen bij het bestreden besluit.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Appellante is door verzekeringsarts L. Moraca onderzocht, die vervolgens naar aanleiding van zijn bevindingen (aanzienlijke) beperkingen ten aanzien van de fysieke en psychische belastbaarheid heeft aangenomen. Hij acht appellante voor maximaal 4 uur per dag in staat fysiek lichte werkzaamheden te verrichten. De verzekeringsarts heeft de vastgestelde beperkingen neergelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bezwaarverzekeringsarts mr. drs. E.J.M. van Paridon heeft vervolgens dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en de door hem ingewonnen informatie van appellantes behandelend psychiater A.M.W.A. Beeftink betrokken bij zijn onderzoek. In zijn rapport van 21 december 2007 concludeert de bezwaarverzekeringsarts dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. Het is de Raad niet gebleken dat dit aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch standpunt onjuist is. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectief medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De Raad merkt in dit verband nog op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op 5 juli 2007. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum, zoals lijkt te zijn beschreven in de in beroep overgelegde rapportage van arts-assistent psychiatrie in opleiding S.A. van Maurik en psychiater W.E. van Bree van 5 februari 2009, kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit zou anders kunnen zijn indien die verslechtering -achteraf- een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde van de datum in geding. Hiervan is de Raad uit de beschikbare gegevens niet gebleken.
4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) I.R.A. van Raaij.
IvR