[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 april 2009, 07/1656 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 november 2009
Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn, met schriftelijk bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.
1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als klassenassistent, heeft zich op 5 februari 2004 ziek gemeld met psychische klachten. In het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 5 december 2005 door de verzekeringsarts M. de Rooij gezien. Deze arts heeft op basis van zijn onderzoeksbevindingen en informatie van de behandelende sector voor appellante geen benutbare mogelijkheden tot het verrichten van arbeid kunnen vaststellen. Naar zijn verwachting zou echter binnen drie tot zes maanden bij appellante een aanmerkelijke verbetering van de mogelijkheden om te functioneren optreden en zou er dan sprake kunnen zijn van benutbare mogelijkheden. De volledige arbeidsongeschiktheid is volgens deze verzekeringsarts niet duurzaam.
1.2. Bij besluit van 14 februari 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat er voor haar met ingang van 2 februari 2006 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
1.3. Bij besluit van 27 april 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het voormelde besluit ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er op 2 februari 2006 nog geen sprake is van duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.
2.1. Bij uitspraak van 25 april 2007 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 april 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, met de opdracht aan het Uwv om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe doorslaggevend geacht dat de bezwaarverzekeringsarts niet alleen geen heroverweging van het duurzaamheidsoordeel per de datum in geding heeft verricht, maar ook geen heroverweging van de bevindingen en conclusie van de verzekeringsarts, dat herstel in een periode van drie tot zes maanden te verwachten is. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat een beoordeling van stap 2 van het beoordelingskader “Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsbeperkingen” (hierna: het beoordelingskader) geheel ontbreekt.
2.2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts in een notitie van 28 augustus 2007 nader toegelicht waarom appellante nog niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 3 september 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2006 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, LJN BH 1986, de grief dat het Uwv het stappenplan van het beoordelingskader niet heeft gevolgd verworpen. Voorts heeft de rechtbank, met verwijzing naar een schrijven van de psycholoog F.M. Harteveld van 21 december 2005, de rapporten van de verzekeringsarts M. de Rooij van 5 december 2005 en 2 januari 2006 en een schrijven van psycholoog/psychotherapeut P. Kamp van 19 februari 2008 overwogen, dat een verbetering van het functioneren van appellante niet is uitgesloten, nu - na therapie - er een stijgende lijn met betrekking tot zelfrespect, zelfbewustzijn en zelfacceptatie is ingezet en herstel van arbeidsmogelijkheden aanwezig is. Reeds hierom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van duurzame arbeidsongeschiktheid. De van de zijde van appellante bij brief van 24 februari 2009 ingezonden nadere medische informatie heeft de rechtbank, met verwijzing naar de reactie hierop van de bezwaarverzekeringsarts van 2 maart 2009, niet tot een ander oordeel gebracht.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht duurzaam te zijn, zodat zij - ingevolge artikel 47 van de Wet WIA - recht heeft op een uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) in plaats van een WGA-uitkering.
4.3. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
4.4. Zoals de Raad in zijn voornoemde uitspraak van 4 februari 2009 heeft overwogen, is het beoordelingskader niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 4 van de Wet WIA en brengt het niet zetten van alle achtereenvolgende stappen van het beoordelingskader niet reeds mee dat om die reden een besluit strijdt met een geschreven of ongeschreven regel of algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank heeft in lijn met deze jurisprudentie geoordeeld, dat de grief van appellante dat het Uwv het stappenplan van het beoordelingskader niet heeft gevolgd geen doel treft. De Raad voegt daaraan toe dat uit de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsarts naar voren komt dat dit stappenplan impliciet is gehanteerd. De Raad wijst in het bijzonder op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 28 augustus 2007.
4.5. Ten aanzien van de stelling van appellante, dat er bij haar ten tijde in geding sprake was van een chronische toestand van uitputting en ernstige, onherstelbare schade aan haar informatieverwerkingsproces verwijst de Raad naar de reactie van bezwaarverzekeringsarts T.J.W. Jansen in diens rapport van 27 mei 2009, dat er op basis van de in de bezwaarfase beschikbare medische gegevens, de gestelde diagnose en de behandelopties wel degelijk vooruitzicht bestond op herstel en verbetering van de arbeidsmogelijkheden. De Raad wijst op de in overweging 3 genoemde brieven van de psychologen Harteveld en Kamp, en overweegt dat de mede hieraan ontleende verwachting van de verzekeringsarts De Rooij, dat de behandeling van appellante op termijn klachtenvermindering kan geven en dat dit binnen een periode van drie tot zes maanden tot een aanmerkelijke verbetering van de mogelijkheden van appellante om te functioneren zou leiden aannemelijk is. Dat een stijgende lijn met betrekking tot zelfrespect, zelfbewustzijn en acceptatie niet automatisch een verbetering van arbeidsmogelijkheden meebrengt, doet aan het vorenstaande niet af.
4.6. Dat de verzekeringarts T.J.M. Kuiper appellante zou hebben gezegd, dat het voor haar “einde oefening” is, doet, daargelaten dat hiervan uit het rapport van 22 juni 2007 van deze verzekeringarts niets blijkt, evenmin aan het hiervoor overwogene af. Ook de omstandigheid dat appellante (voor het eerst) in februari 2008 door de KNO-arts is gezien in verband met onder meer gehoorproblemen laat onverlet, dat het Uwv, zich baserende op het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, die daarbij rekening hield met alle in dat stadium voorhande zijnde medische gegevens, terecht heeft vastgesteld dat het recht op uitkering ingevolge de IVA niet is ontstaan.
4.7. Al het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009.