ECLI:NL:CRVB:2009:BK4091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende objectiveerbare beperkingen
Appellant, werkzaam als inpakker, viel uit vanwege pijnklachten en verkleuringen aan handen en onderarmen. Het UWV weigerde een WIA-uitkering per 4 september 2007, omdat appellant ondanks beperkingen geschikt werd geacht voor bepaalde functies zonder verlies aan verdiencapaciteit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de pijn niet objectief kon worden vastgesteld en de belasting van de functies binnen de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) viel.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn klachten en voerde een rapport van een Belgische arts aan die een beroepsziekte en bijkomende aandoeningen constateerde. De bezwaarverzekeringsarts betwistte de diagnose en vond onvoldoende onderbouwing voor de gestelde beperkingen. De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige van de rechtbank en vond geen reden om daarvan af te wijken.
De Raad concludeerde dat de beperkingen onvoldoende objectief zijn vastgesteld en dat de belasting van de voorgestelde functies in overeenstemming is met de FML. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.