Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4079

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3250 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant meldde zich ziek wegens rug- en knieklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de beperkingen zoals vastgesteld door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de geduide functies niet passend waren en dat er sprake was van meer beperkingen, onderbouwd met medische verklaringen van een orthopedisch chirurg en fysiotherapeut. De Raad oordeelde echter dat deze verklaringen niet leidden tot een ander oordeel dan dat van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Ook de WSW-indicatie, die ruim twee jaar na de datum in geding dateert, gaf geen aanleiding tot herziening.

De Raad bevestigde dat de functies die appellant geacht wordt te kunnen verrichten, zoals productiemedewerker en brugwachter, passend zijn bij zijn belastbaarheid. De stelling dat reiken een te grote belasting vormt, werd door het UWV gemotiveerd weerlegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/3250 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 24 april 2008, 07/3497
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.G.U. Copmri, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 14 juli 2009 is een nadere productie ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 17 juli 2009 een nadere reactie gegeven op de namens appellant ingebrachte productie.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 23 mei 2005 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet wegens rug- en knieklachten. Daarvoor was appellant laatstelijk werkzaam als tentenbouwer voor 37,31 uur per week.
1.2. Bij besluit van 19 maart 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang
van 21 mei 2007 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.
1.3. Bij besluit van 14 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 maart 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per 21 mei 2007. Daarbij heeft zij van belang geacht dat alle klachten van appellant, waaronder pijnklachten en paniekaanvallen, in het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zijn betrokken en dat de door appellant in beroep overgelegde stukken eveneens door de bezwaarverzekeringsarts zijn bezien en geen aanleiding hebben gegeven tot een ander oordeel. De klachten van appellant zijn naar het oordeel van de rechtbank op adequate en zorgvuldige wijze vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 februari 2007. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de opmerking van de verzekeringsarts dat “zitten, staan en lopen […] afwisselend en niet al te langdurig aaneengesloten [dienen] plaats te vinden”, niet op de juiste wijze in de FML is neergelegd, nu op verschillende aspecten in de FML die betrekking hebben op zitten, staan en lopen beperkingen zijn aangenomen en appellant geen nadere medische informatie heeft aangedragen die steun geeft aan zijn opvatting dat van verdergaande beperkingen moet worden uitgegaan. Onder verwijzing naar de arbeidskundige rapportage moet appellant naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies te verrichten. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat de enkele stelling van appellant dat de geduide functies niet passend zijn de rechtbank geen grond geeft voor het oordeel dat het Uwv de geduide functies niet passend heeft mogen achten.
3. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - hetgeen grotendeels neerkomt op een herhaling van de reeds eerder aangevoerde grieven - geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.
3.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts S.J.J.M. Gommers, in zijn rapporten van 14 juni 2007 en 2 augustus 2007, overtuigend heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van orthopedisch chirurg Spruit en fysiotherapeut Middendorf niet leiden tot het aannemen van meer beperkingen ten aanzien van de items zitten, staan en lopen dan in de FML van 19 februari 2007 zijn neergelegd. Daarbij merkt de Raad nog op dat de bezwaarverzekeringsarts terecht heeft gesteld dat de beperkingen zoals door de verzekeringsarts vastgesteld in essentie overeen komen met de belastbaarheid zoals de fysiotherapeut deze beschrijft. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de in beroep overgelegde doorverwijsbrief van de huisarts van 30 augustus 2007 en het intakeverslag van psychologen G. Beldman en S.A.E. Cornelis van 2 oktober 2007 evenmin aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv opgestelde FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 29 november 2007 voldoende gemotiveerd geoordeeld dat op datum einde wachttijd - te weten 21 mei 2007- geen sprake was van dermate klachten bij een paniekstoornis dat deze verdergaande beperkingen zouden moeten rechtvaardigen. Ook de in hoger beroep overgelegde WSW-indicatie van 2 juni 2009 leidt de Raad niet tot een ander oordeel over de mate van belastbaarheid van appellant. De Raad overweegt hiertoe dat de WSW-indicatie dateert van ruim twee jaar na de datum in geding en dat de medische stukken waarop de WSW-indicatie is gebaseerd, ontbreken.
3.2. De schatting is gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (sbc-code 111180), brugwachter/sluiswachter (sbc-code 282170) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043). Naar het oordeel van de Raad is, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, van de zijde van het Uwv voldoende toegelicht dat deze functies in overeenstemming zijn met de vastgestelde belastbaarheid. Dat geldt ook met betrekking tot het reiken in deze functies, waarvan in hoger beroep namens appellant is aangevoerd dat het veelvuldig reiken een te grote belasting vormt voor de rug van appellant. Door het Uwv is in het verweerschrift gesteld dat het item reiken ziet op het strekken en buigen van de armen en zulks geen belasting vormt voor de rug van appellant. De Raad heeft geen aanknopingspunten om deze stelling onjuist te achten.
4. Uit het onder 3.1 en 3.2 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) R.L. Rijnen.
EK