Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3945

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5347 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 61, derde lid, Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag periodieke uitkering burger-oorlogsslachtoffer na onderzoek nieuwe feiten

Appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in november 2005 een aanvraag in voor een periodieke uitkering en toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Deze aanvraag werd in 2006 afgewezen en dat besluit werd gehandhaafd na bezwaar. In 2007 verzocht appellante om herziening, maar ook dit verzoek werd afgewezen.

De Centrale Raad van Beroep heeft beoordeeld of appellante nieuwe feiten en omstandigheden had aangevoerd die aanleiding zouden geven tot herziening van het eerdere besluit. Na een uitgebreid nader onderzoek concludeerde de Raad dat de door appellante aangevoerde omstandigheden grotendeels overeenkomen met haar eerdere aanvraag en dat er geen nieuwe feiten zijn die het besluit in een nieuw daglicht plaatsen.

Hoewel appellante heeft geleden onder zware oorlogsomstandigheden, oordeelt de Raad dat deze algemene omstandigheden niet kwalificeren als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet. De Raad verwierp ook de nieuwe getuigenverklaringen, omdat deze onvoldoende bewijs leveren van directe betrokkenheid bij geweld of mishandeling.

De Raad verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten. Hiermee blijft het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag blijft in stand.

Uitspraak

08/5347 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 12 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 28 juli 2008, kenmerk BZ 8166, JZ/F60/2008, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2005 een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag op grond van artikel 19 van Pro de Wet en voorzieningen. Hierop is bij besluit van 7 april 2006 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van verweerster van 19 december 2006. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.
1.2. Op 9 mei 2007 heeft appellante verzocht om herziening van het onder 1.1 genoemde besluit, waarop bij besluit van 30 oktober 2007 afwijzend is beslist. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
2.1. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellante feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.2. Door en namens appellante is een aantal gebeurtenissen naar voren gebracht die naar haar mening alsnog tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet zouden moeten leiden. Dit betreft, kort samengevat:
- het meemaken van bombardementen in de Heeresteeg in Soerabaja aan het begin van de oorlog in februari/maart 1942;
- het meemaken van razzia’s en invallen in huis tijdens de Japanse bezetting;
- het meermaals getuige zijn van arrestatie en mishandeling van vader en/of andere familieleden, zowel in de Japanse tijd als in de zogenoemde Bersiap-periode;
- internering in het Sampoerna-theater tijdens de Bersiap-periode;
- het meemaken van ongeregeldheden tijdens de Bersiap-periode, waaronder een inval in huis waarbij de moeder van appellante zou zijn mishandeld en beschietingen op straat.
2.3. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster, na een uitgebreid nader onderzoek, terecht vastgesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als onder 2.1 aangegeven. In grote lijnen komen de door appellante naar voren gebrachte omstandig-heden overeen met hetgeen zij aan haar eerdere aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Verweerster heeft uitgebreid onderbouwd waarom directe betrokkenheid van appellante bij de bombardementen in februari/maart 1942 niet voldoende is komen vast te staan, dat de razzia’s niet tegen appellante waren gericht of gepaard gingen met extreem geweld, dat ook uit een nieuwe getuigenverklaring van de broer van appellante niet blijkt dat appellante getuige is geweest van mishandeling van haar vader (angst om het lot van vader is daarvoor onvoldoende) en internering in het Sampoerna-theater evenmin voldoende is komen vast te staan. Ditzelfde geldt voor de confrontatie met mishandeling van moeder en het meemaken van beschietingen op straat. De nog in beroep en dus te laat ingebrachte verklaring van een neef van appellante, kan evenmin leiden tot de conclusie dat sprake was van directe betrokkenheid van appellante bij beschietingen. Duidelijk is wel dat appellante te lijden heeft gehad onder zware oorlogsomstandigheden, maar die algemene oorlogsomstandigheden, waaraan in meer of mindere mate ieder heeft blootgestaan, zijn volgens vaste rechtspraak niet aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
3. Gezien het vorenstaande houdt het bestreden besluit in rechte stand en dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD