Art. 8:75 AwbWet sociale werkvoorzieningWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing herindicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening
Appellant, die jarenlang als voeger in de bouw had gewerkt, werd in 1999 geïndiceerd als behorend tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Na diverse herindicaties en werkzaamheden in de groenvoorziening, diende appellant in oktober 2005 opnieuw een verzoek tot herindicatie in. Dit verzoek werd door de raad van bestuur afgewezen omdat appellant in staat werd geacht passende arbeid te verrichten met noodzakelijke aanpassingen buiten de Wsw.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat een arbeidsmogelijkhedenadvies uit mei 2007 meer gewicht moest krijgen dan eerdere onderzoeken en dat het arbeidskundig rapport niet op een toereikend onderzoek was gebaseerd omdat de arbeidsdeskundige appellant niet persoonlijk had onderzocht.
De Raad oordeelde dat de beperkingen in het arbeidsmogelijkhedenadvies in wezen overeenkwamen met die van de raad van bestuur en dat de verschillen in waardering niet doorslaggevend waren. Tevens vond de Raad dat het arbeidskundig rapport wel degelijk gebaseerd was op de juiste beperkingen en dat een persoonlijk onderzoek door de arbeidsdeskundige geen meerwaarde zou hebben.
Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de herindicatie op grond van de Wsw.
Uitspraak
08/2300 WSW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 25 februari 2008, 07/1596 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: raad van bestuur)
Datum uitspraak: 12 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 1 oktober 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Rutten en W. H. Verbruggen, beiden werkzaam bij de Atlant Groep te Helmond. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.A.M. Stapert, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Met ingang van 1 januari 2009 is krachtens de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuurs-organen en deregulering, Stb. 2008, 600, de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Waar in deze uitspraak sprake is van de raad van bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Raad van bestuur CWI.
2. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Appellant, die voordien jarenlang als voeger in de bouw had gewerkt, werd bij besluit van 18 oktober 1999 een indicatie verleend als behorend tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw).
2.2. Met ingang van 28 februari 2001 werd appellant met inachtneming van die indicatie werkzaam in de groenvoorziening bij de Atlant Groep, een bedrijf voor sociale werkvoorziening.
2.3. Bij besluit van 14 maart 2003 werd voor appellant een herindicatie op grond van de Wsw verleend die geldig was tot 14 maart 2006.
2.4. In oktober 2005 is voor appellant weer een herindicatie op grond van de Wsw gevraagd. Bij besluit van 28 juni 2006 heeft de raad van bestuur deze aanvraag afgewezen, omdat appellant in staat werd geacht passende arbeid te verrichten met behulp van noodzakelijke aanpassingen die buiten de Wsw gerealiseerd kunnen worden in een overigens normale arbeidsomgeving. Bij het bestreden besluit, verzonden op 10 april 2007, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2006 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
4.1. In een rapport van 7 juni 2006 zijn de beperkingen van appellant neergelegd zoals deze bij in het kader van het verzoek om herindicatie gehouden medisch- en psychologisch onderzoek zijn gebleken. Deze beperkingen zijn in rechtsoverweging 3 van de aangevallen uitspraak juist weergegeven. Appellant heeft in hoger beroep gewezen op een in mei 2007 over hem opgesteld arbeidsmogelijkhedenadvies, waaraan naar zijn opvatting meer betekenis moet toekomen dan aan de resultaten van de onderzoeken die aan het besluit van 28 juni 2006 zijn voorafgegaan. De Raad onderschrijft deze opvatting niet. Naar zijn oordeel komen de in dat advies beschreven beperkingen van appellant in wezenlijke mate overeen met de door de raad van bestuur aangenomen beperkingen en verschillen enkel daaraan verbonden waarderingen. Dit acht de Raad niet doorslag-gevend.
4.2. Bij de besluitvorming is verder gebruik gemaakt van een arbeidskundig rapport van 12 juni 2006, waarvan de conclusie is dat de in aanmerking te nemen beperkingen van appellant licht te noemen zijn en ook anderszins niet nopen tot het verlenen van een herindicatie. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat dit rapport niet op een toereikend onderzoek is gebaseerd nu de arbeidsdeskundige appellant niet heeft onderzocht. De Raad volgt deze stelling niet, aangezien uit bedoeld rapport duidelijk blijkt dat de arbeidsdes-kundige bij zijn onderzoek van de juiste voor appellant geldende beperkingen is uitgegaan. De Raad kan niet inzien wat in dit geval de meerwaarde van een onderzoek van appellant door de arbeidsdeskundige zou kunnen zijn.
5 . Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2009.