ECLI:NL:CRVB:2009:BK3731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van besluit UWV over beëindiging WGA-uitkering wegens onvoldoende duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellant had beroep ingesteld tegen besluiten van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering tot 14 september 2008, met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 4,6%. Het UWV oordeelde dat appellant volledig arbeidsongeschikt was, maar niet duurzaam in de zin van de Wet WIA, en dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor het recht op WGA-uitkering eindigde.
De rechtbank Arnhem verklaarde de beroepen ongegrond en vond de medische onderzoeken van het UWV zorgvuldig en voldoende onderbouwd. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat hij vanwege medicijngebruik niet in staat was de geduide functies te verrichten. Hij stelde recht te hebben op een IVA-uitkering en verzocht om benoeming van een eigen deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe, objectieve medische gegevens had ingebracht die aanleiding gaven tot nader onderzoek. Het betoog over een psychiatrische aandoening werd te laat ingebracht en buiten beschouwing gelaten. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden door de geduide functies en dat het medicijngebruik geen specifieke beperkingen oplevert.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot beëindiging van de WGA-uitkering wordt bevestigd.