ECLI:NL:CRVB:2009:BK3512
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Geen recht op kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap in Nederland in 2007
Appellante, met de Nigeriaanse nationaliteit, kwam op 8 januari 2007 vanuit België naar Nederland en verzocht kinderbijslag voor haar zoon over de eerste helft van 2007. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat appellante niet als verzekerde voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) werd aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellante op 1 januari 2007 niet in Nederland verbleef en dus niet als ingezetene kon worden beschouwd. Voor het tweede kwartaal 2007 stelde de Raad vast dat het middelpunt van haar maatschappelijk leven nog niet in Nederland lag, ondanks haar verblijf sinds 8 januari 2007. De economische binding ontbrak omdat zij geen eigen inkomen had en geen zelfstandige woonruimte bezat. De sociale binding was onvoldoende vanwege het korte verblijf en beperkte contacten.
De Raad benadrukte dat de verblijfsstatus slechts één van de factoren is bij de beoordeling van ingezetenschap en niet doorslaggevend. Het huren van een kamer met gedeelde voorzieningen werd niet gelijkgesteld aan zelfstandige woonruimte. De stelling van appellante dat zij reeds aan de voorwaarden voor verzekering onder de AKW voldeed, werd daarom verworpen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het beroep tot cassatie werd toegelicht.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op kinderbijslag over het eerste en tweede kwartaal van 2007 wegens ontbreken van ingezetenschap in Nederland.