ECLI:NL:CRVB:2009:BK3487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens strijd met motiveringsbeginsel
Appellant ontving sinds 22 april 2002 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%. Na bezwaar verklaarde het UWV het bezwaar ongegrond en handhaafde de vaststelling per 29 juli 2005. De rechtbank bevestigde dit oordeel, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de functionele beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische situatie per 29 juli 2005 gelijk was aan die van 12 november 2005, waarop het UWV later volledige arbeidsongeschiktheid erkende. Tevens stelde appellant dat de rechtbank onvoldoende had geoordeeld over de geschiktheid van functies die door de arbeidsdeskundige waren beoordeeld.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek van 29 juli 2005 zorgvuldig was en dat de toelichting van de bezwaarverzekeringsarts over de verschillen met 12 november 2005 juist was. Wel stelde de Raad vast dat in hoger beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was gecorrigeerd en nadere toelichting was gegeven over de geschiktheid van functies, waardoor het bestreden besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel. Daarom vernietigde de Raad het besluit voor zover het door de rechtbank was gehandhaafd, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering is gedeeltelijk vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel, met instandhouding van de rechtsgevolgen.