ECLI:NL:CRVB:2009:BK3471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep inzake WW-uitkering na voortzetting WAO-uitkering
Betrokkene ontving een WAO-uitkering die per 28 februari 2007 werd ingetrokken, waarna hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Vervolgens werd hem een loongerelateerde WW-uitkering toegekend met een dagloon afgeleid van het WAO-vervolgdagloon. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het besluit van het UWV gegrond en vernietigde het besluit, waarna het UWV in hoger beroep ging.
Tijdens de procedure werd een nadere beslissing op bezwaar genomen waarbij betrokkene alsnog een volledige WAO-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, en een WW-uitkering vanaf 26 augustus 2008. Hierdoor had betrokkene geen belang meer bij het hoger beroep over de eerdere WW-uitkering van 7 juni 2007.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang, omdat het resultaat van het hoger beroep geen feitelijke betekenis meer heeft. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en werd griffierecht geheven.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.