ECLI:NL:CRVB:2009:BK3046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Riphagen
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen re-integratievisie UWV
Appellant ontvangt sinds 1996 een WAO-uitkering en maakte bezwaar tegen de re-integratievisie van 12 juli 2007, die door het UWV werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat er geen plaats is voor inhoudelijke toetsing van de re-integratievisie, aangezien de grieven van appellant alleen betrekking hadden op formuleringen zonder invloed op het rechtsgevolg.
In hoger beroep betoogt appellant dat de negatieve bewoordingen in de re-integratievisie zijn re-integratiemogelijkheden en geestelijke gezondheid beïnvloeden en dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om immateriële schadevergoeding niet heeft behandeld. Tevens klaagt hij over overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelt dat appellant het rechtsgevolg van de re-integratievisie, namelijk de vergoeding van het IRO-traject, accepteert en er daardoor geen geschil over het besluit bestaat. De bezwaren tegen de bewoordingen zijn niet relevant voor het procesbelang. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan gegrond beroep. De klacht over de termijnoverschrijding wordt verworpen omdat de redelijke termijn niet is overschreden.
De Raad bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Ook is er geen reden het UWV in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de re-integratievisie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.