ECLI:NL:CRVB:2009:BK2095
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.M. van de Kerkhof
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar het UWV nam een nieuw besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde vervolgens het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte de medische gronden niet inhoudelijk had getoetst en dat er sprake was van nauwe verwevenheid tussen medische en arbeidskundige gronden. Ook stelde appellant dat het UWV hem gerechtvaardigd vertrouwen had gegeven dat zijn aanspraken opnieuw zouden worden beoordeeld. De Raad oordeelde dat de medische gronden in eerdere procedure zonder voorbehoud waren verworpen en dat appellant daartegen geen hoger beroep had ingesteld, waardoor deze gronden niet opnieuw aan de orde konden komen.
De Raad stelde vast dat er geen nieuwe medische gegevens waren die een ander licht op de gezondheidstoestand van appellant wierpen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat het UWV geen ondubbelzinnige toezegging had gedaan. De Raad vond de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voldoende onderbouwd en verwierp de stelling dat de functies onvoldoende van elkaar verschilden.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Tevens oordeelde de Raad dat de intrekking van de WAO-uitkering zich verdraagt met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat de gevolgen niet als een individuele en buitensporige last kunnen worden aangemerkt.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.