ECLI:NL:CRVB:2009:BK1592
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt indicatie huishoudelijke verzorging met terugwerkende kracht
Betrokkene, lijdend aan een chronische aandoening, was vanaf 1 augustus 2003 tot 1 augustus 2005 geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging. De aanvraag voor verlenging van deze indicatie werd pas op 10 april 2006 ingediend. Appellante, het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), wees een indicatie toe vanaf 10 april 2006 en verklaarde het bezwaar tegen deze datum aanvankelijk niet-ontvankelijk.
De rechtbank vernietigde het besluit van 17 april 2007 wegens onvoldoende motivering over de verwijtbaarheid van betrokkene voor het niet tijdig aanvragen van verlenging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er bijzondere omstandigheden waren die het uitgangspunt dat indicatiebesluiten geen terugwerkende kracht hebben, konden doorbreken. Betrokkene had de zorg ook daadwerkelijk ontvangen in de periode tussen 1 augustus 2005 en 10 april 2006.
De Raad stelde vast dat het CIZ onvoldoende had gemotiveerd waarom betrokkene verwijtbaar was en dat het CIZ betrokkene had moeten herinneren aan het tijdig verlengen. De Raad verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2006 gegrond en bepaalde dat betrokkene recht heeft op indicatie voor huishoudelijke verzorging over de periode van 1 augustus 2005 tot 10 april 2006. Het beroep tegen het besluit van 10 augustus 2006 werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Betrokkene is over de periode 1 augustus 2005 tot 10 april 2006 geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging met terugwerkende kracht.