ECLI:NL:CRVB:2009:BK0544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek AAW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellante verzocht het Uwv om terug te komen op het besluit van 27 februari 1996 waarin haar aanvraag voor een AAW-uitkering werd afgewezen omdat zij reeds volledig arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering. Dit verzoek werd door het Uwv en later door de rechtbank ongegrond verklaard, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangetoond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten waren verergerd, waaronder een verslechterd gezichtsvermogen en nek- en schouderklachten, en dat het Uwv daarom medisch onderzoek had moeten verrichten. De Raad oordeelde dat bij het medisch onderzoek in januari 1996 al was vastgesteld dat zij ernstig slechtziend was en dat de overige klachten buiten de reikwijdte van deze procedure vielen.
De Raad wees het verzoek om een deskundige in te schakelen af en benadrukte dat appellante, indien zij na haar zeventiende jaar beperkingen kreeg, een nieuw verzoek bij het Uwv kan indienen mits aan alle voorwaarden wordt voldaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een AAW-uitkering wordt afgewezen.