ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering in 2006 in, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt voor passend werk volgens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze intrekking deels gegrond en vernietigde het besluit op arbeidskundige gronden, omdat de arbeidskundige beoordeling onvoldoende zorgvuldig was uitgevoerd. Het UWV stelde vervolgens een nieuw besluit op basis van een FML uit 2006, waarin werd geconcludeerd dat appellante geschikt is voor functies als medewerker tuinbouw, inpakker en huishoudelijk medewerker.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond, stellende dat de medische beoordeling en FML juist zijn en dat de arbeidskundige rapporten de geschiktheid van appellante voor de genoemde functies voldoende onderbouwen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de arbeidskundige motivering onvoldoende was, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bezwaren reeds in eerdere rapporten zijn weerlegd en dat de arbeidskundige grondslag afdoende is toegelicht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarmee de intrekking van de WAO-uitkering definitief werd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante geschikt is voor passend werk zonder relevante arbeidsongeschiktheid.