ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 1997 bijstand en werd in 2005 aangehouden met € 45.000 in contanten, verborgen in haar kleding. Het College herzag daarop de bijstand over 2002-2005 en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het geld in beheer was van haar schoonvader en zus, en bestemd was voor haar zoon, en dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde voor deze stellingen en dat het vermoeden gerechtvaardigd was dat zij over het geld beschikte. Tevens was onvoldoende aangetoond dat bij correcte informatieverstrekking aanvullende bijstand zou zijn verleend.
De Raad bevestigde dat het College terecht het recht op bijstand niet kon vaststellen en bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Er waren geen bijzondere omstandigheden die afwijking van de beleidsregels rechtvaardigden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.