Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek wegens knie-, rug- en later schouderklachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering en later ook verdere Ziektewetuitkering, omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het UWV zijn standpunt over de datum van hersteldmelding wijzigde.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren en overhandigde medische verklaringen. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldige medische beoordeling had verricht, maar dat de maatstaf voor de arbeid onjuist was. De bezwaarverzekeringsarts had de functie van sorteerder/controleur als maatgevende arbeid genomen, terwijl deze functie in de WIA-procedure was vervallen.
De Raad stelde vast dat de functie van productiemedewerker industrie als maatstaf diende en dat appellante daarvoor geschikt was. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit tot weigering van de Ziektewetuitkering en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
08/4698 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2008, 07/2039
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringingsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Namens appellante is verschenen mr. Wolter. Het Uwv, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, heeft zich op 12 januari 2004 ziek gemeld wegens knie- en rugklachten. Bij het einde van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellante met inachtneming van de voor haar gestelde beperkingen, die zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt werd geacht voor de geduide functies. Vervolgens is aan appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.
1.2. Appellante heeft, in verband met zwangerschap en haar bevalling, een uitkering ontvangen op grond van de Wet Arbeid en Zorg (WAZO). In aansluiting hierop heeft zij zich per 3 juni 2007 ziek gemeld wegens schouderklachten die zouden zijn ontstaan tijdens de bevalling. Op 23 mei 2007 is appellante gezien door de verzekeringsarts E. Tolsma, die haar na onderzoek per 23 mei 2007 geschikt achtte voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het Uwv per dezelfde datum (verdere) uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) geweigerd.
1.3. In het kader van het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is zij op de hoorzitting gezien en onderzocht door bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek. Deze heeft op 3 juli 2007 een rapport uitgebracht, waarin als conclusie is vermeld dat appellante in staat moet worden geacht ten minste één van de geduide functies te verrichten, te weten de functie van sorteerder/controleur (sbc-code 111340). Bij besluit van 5 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het primaire besluit herroepen en vervolgens bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft voorts bepalingen gegeven over de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd omdat het Uwv ter zitting zijn standpunt voor wat betreft de datum van hersteldmelding heeft verlaten, in die zin dat appellante niet op 23 mei 2007, maar op 24 mei 2007 hersteld wordt geacht.
3. De stellingen van appellante in hoger beroep vormen in grote lijnen een herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep is betoogd. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een verwijsbrief van de huisarts E.R.A. Kuijt van 29 september 2008 overgelegd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische beoordeling. Appellante is zowel door de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek heeft bij lichamelijk onderzoek dezelfde bevindingen vastgesteld als de primaire verzekeringsarts Tolsma op 23 mei 2007. Bij onderzoek van de schouders werden geen ernstige bewegingsbeperkingen vastgesteld. Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde verwijsbrief van de huisarts Kuijt van 29 september 2008, die tevens nadere informatie van de orthopedisch chirurg H.J. Kooijman van 23 oktober 2007 bevat, onderschrijft de Raad het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek, zoals vermeld in zijn rapport van 29 juli 2009.
4.4. De Raad is evenwel van oordeel dat het Uwv een onjuiste maatstaf voor de arbeid heeft aangelegd. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapport van 3 juli 2007 bij de beoordeling van appellantes geschiktheid voor haar arbeid als maatgevende arbeid aangemerkt de functie van sorteerder, controleur (sbc-code 111340). Uit de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 18 augustus 2009 blijkt echter dat de functie van sorteerder, controleur reeds in de WIA procedure is komen te vervallen en niet als maatstaf kan worden geduid. De bezwaarverzekeringsarts acht appellante voor de overige geduide functies wel geschikt.
4.5. De Raad stelt vast dat, blijkens de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.N.J. Kollaard van 21 juni 2006, de functie van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) aan de schatting per 9 januari 2006 ten grondslag is gelegd. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts Van Glabbeek in zijn rapport van 29 juli 2009 gemotiveerd dat de functie met die sbc-code voor appellante geschikt is. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.
5. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot
€ 644,--, te betalen door het Uwv aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.