ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9014

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4939 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellante, die een werkloosheidsuitkering ontving, meldde zich op 31 januari 2007 ziek bij het Uwv. Naar aanleiding hiervan werd haar ziekengeld toegekend. Op 30 juli 2007 besloot het Uwv dat zij vanaf 6 augustus 2007 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij zij zwaar tilde aan de rapporten van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. Deze artsen hadden een zorgvuldig onderzoek uitgevoerd en hielden rekening met medische informatie van de behandelend sector.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De artsen concludeerden dat appellante ondanks lichamelijke beperkingen zoals overgewicht en enkeloedeem in staat was zittend werk te verrichten. Appellante bracht geen tegenstrijdige medische gegevens in. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 6 augustus 2007.

Uitspraak

08/4939 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 juli 2008, 07/5087 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2009. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft zich op 31 januari 2007, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, bij het Uwv ziek gemeld. Zij had toen laatstelijk via een uitzendbureau werk verricht bij de montage van elektronische spelletjes. Naar aanleiding van deze ziekmelding is aan appellante ziekengeld toegekend.
2. Bij besluit van 30 juli 2007 is namens het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 6 augustus 2007 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3. Bij besluit van 11 oktober 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 juli 2007 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.
5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
5.2. Naar in het vorenstaande besloten ligt is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat de door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts opgestelde rapporten blijk geven van een zorgvuldig onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de door de behandelend sector verstrekte informatie en deze in de beschouwing betrokken. Mede op grond van die informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts aangenomen dat appellante gezien haar lichamelijke toestand, waarbij met name overgewicht en enkeloedeem zijn genoemd, weliswaar moeilijkheden ondervindt bij lopen, staan, bukken en buigen maar dat zij niettemin in staat moet worden geacht haar werk te verrichten, dat zittend kon worden uitgevoerd. Appellante heeft geen medische gegevens in het geding gebracht die reden vormen voor twijfel aan die conclusie.
5.3. Uit hetgeen is overwogen onder 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
JL