ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand en beschikte gedurende de beoordelingsperiode over een vermogen dat de vrij te laten grens aanzienlijk overschreed. Uit onderzoek van de sociale dienst bleek dat zij in december 2001 en januari 2002 grote bedragen op bankrekeningen had gestort, zonder dit te melden aan het College. Appellante stelde dat het vermogen was opgebouwd door sparen tijdens de bijstand, maar kon dit niet aannemelijk maken aan de hand van verifieerbare gegevens.
De Raad stelde vast dat de contante opnames en het uitgavenpatroon van appellante niet overeenkwamen met de stelling dat zij maandelijks een substantieel bedrag spaarde. Bovendien beschikte zij over een spaarrekening gekoppeld aan haar Postbankrekening, wat het verhaal van sparen 'in een oude sok' ondermijnde. Door het niet melden van het vermogen en de bankrekeningen heeft appellante haar inlichtingenverplichting geschonden.
Het College was daardoor bevoegd de bijstand over de betreffende periode in te trekken en de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen. De Raad vond geen aanleiding om van intrekking of terugvordering af te zien, ondanks de door appellante aangevoerde persoonlijke gevolgen, die niet medisch onderbouwd waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.