ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8943

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1820 APPA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verrekening neveninkomsten met APPA-uitkering over periode augustus tot december 2006

Appellante, voormalig ambtenaar, ontving een uitkering op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA). Na haar aftreden in april 2006 verrichtte zij werkzaamheden als projectleider voor een stichting, waarvan zij neveninkomsten genoot. Het college stelde bij besluit vast dat deze neveninkomsten vanaf 1 augustus 2006 werden genoten en verrekende deze met de APPA-uitkering over de periode van augustus tot en met december 2006.

Appellante betoogde dat zij al vóór 1 augustus 2006 voorbereidende werkzaamheden had verricht, waardoor de neveninkomsten aan een ruimere periode toegerekend zouden moeten worden, wat zou leiden tot een lagere korting en terugvordering. Zij verwees naar een gesprek in mei 2006 en een verslag van een rondetafelgesprek in juni 2006.

De Raad oordeelde dat de neveninkomsten op declaratiebasis achteraf vanaf augustus 2006 zijn genoten, zoals blijkt uit de inkomstenformulieren en de inschrijving van haar bedrijf met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2006. De eerdere contacten en voorbereidingen werden gezien als verkennende besprekingen vergelijkbaar met een sollicitatie en boden onvoldoende grondslag voor een ruimere toerekening. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

08/1820 APPA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: college)
Datum uitspraak: 24 september 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het namens het college (en niet, zoals abusievelijk in de ondertekening daarvan vermeld, namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) door de uitvoeringsorganisatie Loyalis Maatwerk-administraties te Heerlen genomen besluit van 23 november 2007, kenmerk 057576270 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (hierna: APPA).
Namens het college is een verweerschrift ingediend. Hierbij is tevens de gemaakte fout bij de ondertekening van het bestreden besluit rechtgezet.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2009. Appellante is daar, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl het college zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerk-administraties.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan appellante is na haar aftreden als [functie] van de gemeente 's-Hertogenbosch ingaande 26 april 2006 een uitkering ingevolge de APPA toegekend. In verband met daarna genoten neveninkomsten uit werkzaamheden als projectleider voor de [naam stichting] 's-Hertogenbosch (SWH) is bij besluit van 24 mei 2007, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, over 2006 een teveel uitbetaald bedrag aan APPA-uitkering vastgesteld, welk bedrag van appellante is teruggevorderd. Bij die vaststelling is uitgegaan van de opgave van appellante op de maandelijkse inkomstenformulieren inhoudende dat de genoemde neveninkomsten sedert augustus 2006 werden genoten en dat in november 2006 bij de Kamer van Koophandel met terugwerkende kracht tot
1 augustus 2008 de inschrijving van een eigen bedrijf is aangevraagd. Op grond hiervan zijn die neveninkomsten verrekend met de APPA-uitkering over de periode 1 augustus tot en met 31 december 2006.
1.2. In bezwaar en beroep heeft appellante - in de kern - betoogd dat zij feitelijk al vóór 1 augustus 2006 (voorbereidende) activiteiten voor SWH heeft verricht, zodat de neveninkomsten aan een ruimere periode dienen te worden toegeschreven dan het college heeft gedaan, met een lagere korting en terugvordering als gevolg. In dit verband is aangevoerd dat zij al op 22 mei 2006 een eerste gesprek heeft gehad met de directeur van SWH en dat zij verder, naar blijkt uit een op 30 juni 2006 gedateerd verslag daarvan, als beoogd projectleider aanwezig was bij een door SWH op 16 juni 2006 gehouden rondetafelgesprek met beoogde partners over het project Kamers met Kansen.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. De hiervoor onder 1.1 genoemde inkomstenformulieren geven ondubbelzinnig en consistent aan dat de onderhavige neveninkomsten, op declaratiebasis achteraf, vanaf augustus 2006 zijn genoten. Hiermee spoort dat appellante in het najaar van 2006 de inschrijving van haar bedrijf met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2006 heeft aangevraagd. Het door appellante gestelde over een eerste contact met SWH in mei 2006 en het overgelegde verslag van de vergadering van 16 juni 2006 bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag om niettemin de neveninkomsten aan een ruimere periode toe te rekenen. De Raad ziet hierin niet meer of anders dan (de neerslag van) met een sollicitatie te vergelijken verkennende besprekingen over het project als zodanig en de rol van appellante daarbij als projectleider. In dit verband is ook van belang dat in het vergaderverslag van 30 juni 2006 is aangetekend dat appellante in de inmiddels aanvaarde rol als projectleider in augustus 2006 een rondje zal gaan maken langs de beoogde kernpartners van het project. De door appellante in beroep nog aangedragen vergelijking van haar vóór 1 augustus 2006 ondernomen activiteiten met acquisitie voor een te starten onderneming, verdraagt zich niet met haar uit de gedingstukken blijkende eerdere verklaringen dat zij - achteraf en met terugwerkende kracht - inschrijving van een eigen bedrijf alleen maar heeft gevraagd op grond van een nader door SWH geuite wenselijkheid daarvan.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD