ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8752
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake weigering WAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, voormalig zelfstandige, verzocht herhaaldelijk om een WAZ-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Na eerdere afwijzingen en vernietigingen van besluiten, oordeelde de rechtbank Maastricht dat de aanvraag getoetst moest worden aan artikel 4:6 Awb Pro, waarbij nieuwe feiten of omstandigheden vermeld moesten worden. De rechtbank stelde vast dat er geen nieuwe feiten waren die een herziening rechtvaardigden en dat de vastgestelde eerste dag van arbeidsongeschiktheid correct was.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische klachten in 2004 waren onderschat en dat nieuwe psychiatrische rapporten de ernst van haar beperkingen aantonen. De Raad concludeerde echter dat deze rapporten zich baseren op vergelijkbare gegevens als eerdere rapporten en dat verschillen in weging geen nieuwe feiten vormen. De toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van een TIA en CVA vanaf 13 december 2005 is wel een nieuw feit, maar valt buiten de relevante periode voor herziening.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven en dat het bestreden besluit terecht is gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de afwijzing van de WAZ-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.