ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, werkzaam geweest als verpleegkundige, ontving een WAO-uitkering wegens psychische klachten sinds 1990. Na een herbeoordeling in 2006 concludeerde de verzekeringsarts dat sprake was van herstel en beperkte beperkingen, wat leidde tot intrekking van de uitkering per 2 april 2007.
Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar psychische beperkingen en chronische vermoeidheid onvoldoende waren meegewogen. Zij overhandigde medische verklaringen van haar huisarts, gynaecoloog en cardioloog ter onderbouwing van haar klachten.
De bezwaarverzekeringsarts heeft de beperkingen na hoorzitting aangepast, maar bleef bij het oordeel dat er geen medische noodzaak was voor urenbeperking. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische gegevens geen aanleiding gaven het oordeel te wijzigen.
Ook de arbeidskundige beoordeling van het UWV werd door de Raad onderschreven. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde.
De beslissing werd uitgesproken door J.W. Schuttel namens de Centrale Raad van Beroep op 25 september 2009.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag.