ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8479
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellant ontving sinds 1999 een WAO-uitkering wegens psychische klachten, met een verlaging in 2004 naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Na ziekmelding in 2005 stelde het UWV dat appellant niet langer ongeschikt was voor zijn arbeid en beëindigde het ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten waren toegenomen. De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' ten minste één van de functies geldt die bij de WAO-beoordeling op basis van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) waren vastgesteld. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en concludeerde dat uit de medische rapportages geen toename van psychische klachten in 2005 bleek.
De Raad nam ook de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige mee, die stelden dat appellant met zijn beperkingen geschikt bleef voor de geselecteerde functies. De herziening van de WAO-uitkering in 2006 werd als een zorgvuldigheidsoverweging gezien en gaf geen aanleiding tot andere conclusies. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd.