ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8435
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar per 30 mei 2007 geen WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Zij stelde dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onzorgvuldig was en dat haar medische beperkingen, waaronder artrose en chronische slijmbeursontsteking, niet waren meegenomen in de beoordeling.
De bezwaarverzekeringsarts had deze aandoeningen buiten beschouwing gelaten omdat zij volgens haar na de peildatum waren ontstaan. Hoewel appellante vóór de peildatum telefonisch contact had gehad met het UWV over deze klachten, had de arts nagelaten hierover navraag te doen. De Raad oordeelde echter dat dit niet tot andere conclusies leidt omdat appellante geen medische stukken had overgelegd waaruit bleek dat zij op de peildatum meer beperkt was dan aangenomen.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante waren meegenomen in de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst. De Raad onderschreef deze overwegingen en concludeerde dat appellante op de peildatum in staat was om de aan haar voorgehouden functies te verrichten. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.